De Nederlandse constitutionele rechtsorde houdt mede in dat de volksvertegenwoordiging samen met de centrale uitvoerende macht in de regering van het Koninkrijk, het bovenomschreven nationale budgetrecht als medewetgever uitoefent. Dat betekent dat de Tweede Kamer als gelijkwaardige medewetgevende macht jegens het zittend kabinet bij voorstel van Rijkswet de inkomsten en uitgaven van rijkswege in verband met de aan de uitvoerende macht toekomende zorgtaken in gemeen overleg de daarvoor in aanmerking komende posten bij wetsartikelen vaststelt. Het moet bij Rijkswet gebeuren: een wetsbesluit geldend voor alle gebiedsdelen van dat Koninkrijk die dan ook in de Grondwet omschreven zijn: de Antillen in het Caraïbisch rechtsgebied die volkerenrechtelijk als Nederlandse Antillen zijn gedefinieerd.

Om dit budgetrecht naar behoren te kunnen uitvoeren moet er dus één boekhoudkundig in balansvorm opgesteld overzicht zijn met een debet- en een credit-zijde waarin de afzonderlijke posten in één coherent overzicht zijn ondergebracht met het financiële dekkingsoverzicht per post: wáármee denkt de regering de desbetreffende post te financieren? De posten moeten figureren in operatieve wetsartikelen met een bijbehorend uitvoeringsoverzicht waarin ook de fiscale heffingen, inningen en tenuitvoerleggingen anderszins zijn opgegeven. En eventueel bijkomende overgangsrechtelijke bepalingen die zelfs kunnen terugwerken, wat in het Nederlandse publieke recht nogal uitzonderlijk is. Die Nederlandse Rijksbegroting is dus het jaarlijkse totaaloverzicht van alle verwachte inkomsten en uitgaven van de Rijksoverheid. Het document wordt traditioneel elke derde dinsdag van september (Prinsjesdag) door de minister van Financiën aan de Tweede Kamer gepresenteerd in het bekende begrotingskoffertje.
De politieke en samenvattende toelichting hierop heet de Miljoenennota. In de lopende ramingen voor de begroting van 2026 bedragen de verwachte overheidsuitgaven € 486,3 miljard. Het begrotingstekort (EMU-saldo) wordt voor 2026 geraamd op -2,9% van het bbp (een tekort van circa € 35,5 miljard), waarmee het net binnen de Europese norm van maximaal 3% blijft. De totale staatsschuld ligt op ruim € 575 miljard (circa 47,8% van het bbp). De redactie van het wetsvoorstel moet een bepaalde op gewoonten gebaseerde structuur vertonen betreffende de opbouw van de Rijksbegroting per overheidstaak. De begroting is opgedeeld in verschillende onderdelen om het overzichtelijk en controleerbaar te houden voor de volksvertegenwoordiging die daarin een leidraad moet kunnen vinden die het gemeen overleg bij de Algemene Beschouwingen inleidt en faciliteert.
Thorbecke vond daarom dat deze zorgtaken ook in de Grondwet juridisch omschreven moesten worden als voorwerpen van voortdurende overheidszorg. Dat zou, wat Thorbecke betreft, moeten in een dusdanige redactie, dat ook duidelijk zou zijn dat de overheid hier als soevereine macht werkzaam is en dat het dus om verrichtingen zou gaan waarvoor de overheid immuniteit zou moeten genieten in opzicht van aansprakelijkheid, civielrechtelijk en strafrechtelijk. Hij dacht daarom deze overheidstaken met hun doelstellingen verder uit te moeten werken in uitvoeringswetten, ook weer in die Grondwet opgegeven, de zogeheten “organieke wetten” En uiteraard zouden deze uitvoeringsarrangementen steeds gecontroleerd moeten worden door de rekenkamer op doorlooptraject, kostenfasering en haalbaarheid van doelstelling. Hiervoor wees Thorbecke in zijn stelsel de rekenkamer aan. Thorbecke meende dat deze instelling dat ook al had gedaan in de tijd van de Bourgondische Hertogen en de Habsburgse Keizers en greep daarom terug op deze uitbesteding. Men zie: https://www.rekenkamer.nl/onderwerpen/v/verantwoordingsonderzoek/over-dit-onderzoek/begroting. De Rijksbegroting verwijst door naar departementale begrotingen: Elk ministerie heeft zijn eigen begrotingshoofdstuk (bijvoorbeeld Volksgezondheid, Defensie of Onderwijs) waarin staat hoeveel geld zij ontvangen en waaraan dit besteed moet worden. Zie nader: https://archief.rijksfinancien.nl/rijksbegroting/uitleg-begroting. Zie verder: https://www.rekenkamer.nl/onderwerpen/v/verantwoordingsonderzoek/over-dit-onderzoek/begroting. De Rijksbegroting verwijst ook naar niet per departement opgegeven begrotingen. Niet-departementale begrotingen: Begrotingen voor instanties die losstaan van de ministeries, zoals de Koning en de Hoge Colleges van Staat (waaronder de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer). Zie verder meer gedetailleerd: https://www.rekenkamer.nl/onderwerpen/v/verantwoordingsonderzoek/over-dit-onderzoek/begroting
