Robert Fruin en de Rotterdamse correspondenties 1650-1713

Robert Fruin, de eerste hoogleraar die de leeropdracht “Vaderlandsche Geschiedenis” kreeg aan de Rijksuniversiteit Leiden in de tweede helft van de negentiende eeuw heeft zich uitvoerig beziggehouden met de Rotterdamse contracten van correspondenties die hij thuis gestuurd kreeg van eerbare Rotterdame regentenfamilies die hun archieven thuis aan het ruimen waren. Nu is Fruin steeds erop uit geweest om het Oranje Huis als dynastie van militaire bestuurders in de Republiek zoveel mogelijk op te hemelen als bestaande uit personen die vooral het Nederlandse Volk uitermate hartelijk toegedaan waren. Het waren echte democraten. En ze bekommerden zich vooral om de noden van de gemene man. In tegenstelling tot de regenten, de patriciërs, die alleen op eigen baat uit waren en daardoor veel verziekten. Vooral in oorlogstijd. Daarom was Fruin de contracten van correspondentie niet genegen. Hij zag ze als bron van bestendige corruptie. Als overeenkomsten zonder een geoorloofde zedelijke oorzaak, die eigenlijk nietig waren en ook door onafhankelijke rechters vernietigd hadden moeten worden als zo’n regent er zich op beriep. Omdat daardoor, zo leert Fruin, eigenlijk starnakel onbekwamen op de eerste posten kwamen, zowel in de steden als in de gewestbesturen en dus in de Staten-Generaal. Hij beschrijft die contracten als onrechtmatige arrangementen in de Nederlandse regententijd (vooral in de 17e en 18e eeuw). Het zijn, zegt Fruin,  onderhandse, vaak informele afspraken tussen regenten om lucratieve en invloedrijke ambten onderling te verdelen. Regelrecht nepotisme waardoor ook de Verenigde Oost-Indische en West-Indische Compagnie failliet sloegen terwijl ze hadden kunnen floreren als bron van vermogensbelastingen ten laste van de regenten. Dat fiscale systeem  hebben de regenten, schrijft Fruin, nooit gewild en daardoor kwam het dat leger en vloot nooit tijdig en voldoende mobilisabel waren. Terwijl dat in de grote koninkrijken in West Europa wél het geval was. Daarom ging de Republiek in 1795 roemloos teloor. Toen Parijs de oorlog verklaarde aan de stadhouder Willem V in persoon. En hij beschrijft, redelijk gestandaardiseerd,. hoe de regenten eerst hun kapitaal naar Londen sluisden en toen dat faillissement uitriepen. Daaraan heeft Koning Willem I van Oranje een eind willen maken door uiteindelijk in 1814 alsnog een vereveningsfonds op te richten — het amortisatie-syndicaat —  dat later overging in de Nederlandsche Handelsmaatschappij. En thans in de Amsterdam-Rotterdam Bank. Daarom komen, orakelt Fruin, deze wantoestanden niet meer voor, omdat thans door de heilzame hand van Thorbecke, Oranje en Handelsmaatschappij handelen onder de vigeur van de politieke verantwoordelijkheid van een kabinet dat de rijksbegrotingsregels nauwkeurig handhaaft tegenover het parlement. Omdat die begroting bij wet wordt vastgesteld, in één overzichtelijk juridisch instrument met heldere posten en goed omschreven staatstaken van algemene zorg. Je zou het niet zeggen, als je het gemodder van het kabinet Jetten in ogenschouw neemt. Maar, kon Fruin destijds nog voorspellen, dat geklungel kan echt niet meer en zal ook nooit meer kunnen in het moderne systeem waarbij de volksvertegenwoordiging als een Cerberus de Rijksbegroting bewaakt en de posten nauwkeurig afvinkt.

Hoe anders was het in de dagen van olim, schrijft Fruin in zijn “Verzameld Werk”. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vormde de stedelijke en gewestelijke bestuurdersklasse (de regenten) een gesloten elite. Een soort vrijmetselarij. Een geheim genootschap van samenzweerders. Met hun particuliere afspraken buiten de aan de Staten-Generaal overgelegde gewestelijke begrotingen.  Via deze ‘correspondenties’ wisten zij de politieke macht en de bijbehorende financiële voordelen binnen hun eigen kring en families te houden.Kenmerken van de contracten van correspondentie was immers ambtendeling (de zo gehate vriendjespolitiek): Regenten spraken af om elkaar bij vacatures in het stadsbestuur, de vroedschap of andere colleges de hand boven het hoofd te houden en benoemingen toe te spelen.Machtsoligarchie: Door deze onderlinge afspraken veranderde de regentenstand in een ondoordringbare oligarchie; buitenstaanders en burgers zonder de juiste familiebanden kwamen nagenoeg niet meer aan de bak.En dat leidde natuurlijk tot kritiek en schijnheiligheid: Tijdgenoten en latere historici (zoals Robert Fruin) gebruikten de term “regenten” en de samenstellingen daarvan dan ook vaak kritisch. Ze omschreven de ‘correspondentie’ of ‘harmonie’ als een vorm van wettige samenspanning, aanslag en individuele baatzucht, waarbij politieke oppositie vooraf opzettelijk door zwartmakerij werd gesmoord. Onder het bestuur van koning-stadhouder Willem III neemt dan ook die kuiperij bovenmatig toe. Fruin schrift: “Met leedwezen voegen wij er bij, dat zij toenam onder zijn begunstiging, door zijn bedrijf. De groote vorst, die voor Engeland een tijdvak van vrijheid en van verhoogde moraliteit opende, die de onafhankelijkheid van Europa tegen de heerschzucht van Frankrijk verdedigde, heeft voor onze politieke vrijheid en voor de moraliteit onzer regenten niet het minste gedaan; integendeel, hij heeft de staatsgebreken nog verergerd en de regenten in hun baatzucht gestijfd. Wat er, vooral in Gelderland en Overijsel, nog van volksinvloed op de regeering was overgebleven, heeft hij door zijn reglementen vernietigd. Overal heeft hij de oligarchie in de hand gewerkt, tevreden zoo hij ze zelf maar naar zijn hand kon zetten. Zoo lang hij leefde kon hij persoonlijk vergoeden wat hij aan de instelling bedorven had; maar na zijn dood kwam het door hem gestichte kwaad in volle werking. Terecht verwijt hem dan ook Van Slingelandt, dat hij de beste gelegenheid om het regeeringstelsel der Republiek te verbeteren ongebruikt heeft laten voorbijgaan. Maar Van Slingelandt heeft niet genoeg gelet op de omstandigheden, die Willem III noopten te handelen zooals hij gehandeld heeft.” Het is toch wat te zeggen. Gelukkig dat dat nooit meer zal terugkomen, nu de kabinetten tijdig en regelmatig de Rijksbegrotingswet, transparant en toegelicht, aan de Tweede Kamer moeten overleggen. Niet per afzonderlijk hoofdstuk. Maar als één coherente verantwoording. Omdat het parlementaire budgetrecht dat eist. Weet u wel?