Rijksbegroting VIII

BOX 3 perikelen

De Minister van Financiën heeft eigenlijk van het kabinet de marsorder gekregen om vermogensaccumulatie, hoe ook genaamd, onbepaald te fiscaliseren bij private personen, of het nu gaat om spaargelden, opbrengsten van beleggingen (al of niet in het buitenland), dividenden of rentes uit leningen waarbij we vooral moeten denken aan obligaties. Hij moet overgaan tot geldelijk waardeerbare ontnemingen van vermogensbestanddelen waar hij ze in een bepaalde opeenhoping aantreft. En dat moet hij, omdat de collectieve sector volledig onschendbaar is verklaard door de politieke partijgangers die nu bijeenscharen onder de merkwaardige aanduiding PRO. PRO zal dan het kabinet steunen. Dat is de deal. Gebeurt die voordeelsontneming niet, dan gaat PRO dwarsliggen. Uitkeringen zijn onschendbaar. Ook wanneer het gaat om uitkeringen aan personen die niet toegelaten zijn tot Nederland, waaronder de procederenden, dus de illegalen, die aan die collectieve sector nooit een cent hebben bijgedragen. Terwijl de bijstandsuitkeringen aanmerkelijk hoog zijn en gelden als vergelijkingsmaatstaf voor andere subsidies, toelagen en voorliggende voorzieningen. De wetgever heeft om zulks al in eerdere kabinetsperioden te borgen besloten tot een wettelijke regeling waarbij op basis van rendementsficties forfaitaire aanslagen kunnen worden uitgebracht over in deze derde Box gevonden saldi. Box 3. Waarin het gaat om spaargelden en opbrengsten uit beleggingen.

Waarbij de aangeslagene geacht wordt een bepaalde vermogensaanwas te hebben genoten, waartegen geen tegenbewijs is toegelaten. De Hoge Raad was het met dat systeem niet eens, zoals uit het al geciteerde kersarrest bleek en blijkt, en deed zulks in een apodictische uitspraak waarvan de motivering de toets van de kritiek niet kan doorstaan. De minister blijft echter ook in het nieuwe wetsvoorstel uitgaan van ficties bij de aanslagen. En die ficties komen neer op het onweerlegbare vermoeden dat de aangeslagene een belastbaar feit heeft begaan. De aangeslagene wordt geacht dat feit te hebben voltooid en redres kan hij niet krijgen in Nederland. Het gaat hier dus om een daderschapsfictie.

Mogen deze daderschapsficties eigenlijk wel? Het standaardantwoord op de vraag of zulks in Nederland is toegestaan gelet op het in artikel 6 EVRM veronderstelde onschuldvermoeden komt steevast in de handboeken neer op een bevestiging. Ja, daderschapsficties zijn in Nederland in beginsel toegestaan, mits zij voldoen aan strikte voorwaarden die zijn gesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Hoewel een daderschapsfictie (waarbij de wetgever ervan uitgaat dat iemand de dader is, tenzij het tegendeel wordt bewezen) op gespannen voet staat met het onschuldvermoeden uit artikel 6 lid 2 EVRM, heeft het EHRM, het Mensenrechtenhof te Straatsburg,  geoordeeld dat dergelijke wettelijke vermoedens niet per definitie verboden zijn.

De verenigbaarheid van Nederlandse daderschapsficties met het EVRM rust op de volgende juridische kaders:

  1. Het Straatsburgse toetsingskader (Salabiaku v. Frankrijk)

In het leidende arrest Salabiaku v. Frankrijk (1988) bepaalde het EHRM dat lidstaten onder bepaalde voorwaarden gebruik mogen maken van feitelijke of juridische vermoedens. Dit mag echter niet onbeperkt. De daderschapsfictie moet voldoen aan:

  • Redelijke grenzen: Er moet een legitiem doel zijn (zoals verkeersveiligheid of effectieve handhaving).
  • De belangenafweging (proportionaliteit): Het belang van de staat moet opwegen tegen de inbreuk op de rechten van het individu.
  • Weerlegbaarheid: De fictie mag nooit onomstotelijk zijn. De verdachte of betrokkene moet altijd een reële mogelijkheid hebben om tegenbewijs te leveren (rebuttal).

In de Nederlandse rechtspraktijk komen daderschapsficties veelvuldig voor, met name in het bestuurs- en verkeersrecht:

  • De Wet Mulder (art. 5 WAHV): Bij lichte verkeersovertredingen (zoals geflitst worden voor snelheid) wordt de boete automatisch opgelegd aan de kentekenhouder. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit verenigbaar is met artikel 6 EVRM. De reden hiervoor is dat de wet de kentekenhouder de mogelijkheid biedt om aan te tonen dat het voertuig tegen zijn wil werd gebruikt, of dat de werkelijke bestuurder de boete op zich neemt.
  • Milieurecht en Economische Delicten (art. 51 Sr): Als een strafbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon (een bedrijf), kunnen de feitelijke leidinggevenden onder bepaalde omstandigheden als dader worden aangemerkt. Ook hier moet de verdediging ruimte krijgen om dit vermoeden te betwisten. Praktisch kan hij dat schudden. Dat weten de practici verdomde goed. Ook de raadsheren in de belastingkamer van de Hoge Raad.

Daderschapsficties zijn in Nederland toegestaan zolang  ze weerlegbaar zijn en een legitiem handhavingsdoel dienen. Zolang de rechter in een concreet geval de ruimte heeft om het vermoeden opzij te schuiven wanneer de verdachte een aannemelijk tegenbewijs levert, is er geen sprake van een schending van het onschuldvermoeden onder het EVRM. Maar in fiscale zaken is dat niet steeds geborgd. En ook dat erkent de Hoge Raad. Goed, zegt die Raad, je kan niet alles hebben, we zijn toch een rechtsstaat. En dat zou ik willen aanvechten. Ook tegen een bierkaai. Maar nu wil Heinen dat systeem dat de Hoge Raad niet echt mooi vindt ook nog wettelijk verdisconteren. Want het ligt ten grondslag aan zijn nieuwe wetsvoorstel. Voor kleine spaarders.