Wapenwedloop 1888-1914

Natuurlijk werd het adagium meteen basso continuo-motief van wat later de eerste Haagsche Vredesconferentie werd genoemd.  Een volledig contrapuntische toonzetting. Je kunt niet goed zeggen wie met de wapenwedloop begon, die inzette bij de troonsbestijging van de instabiele, eigenlijk psychiatrisch ontoerekeningsvatbare, Duitse Keizer Wilhelm II von Hohenzollern. Zijn inhuldigingsrede als Duits Keizer was ronduit oorlogszuchtig. Hij deelde mee dat “Herrliche Zeiten” gingen aanbreken voor het Duitse Volk, waarna hij uitvoerig als “Oberster Kriegsherr” zijn Duitse krijgsmacht toesprak en haar voorspelde dat ze tot elkaar bestemd waren en grootse daden zouden gaan verrichten, dat Leger en de Keizer. Wat Wilhelm daarmee bedoelde, was niemand duidelijk op dat moment, maar onheilspellend was het beslist. Aan zijn zijde prijkte nog steeds de corpulente figuur van de Rijkskanselier Otto von Bismarck die geen inzage had kunnen krijgen van wat Wilhelm dacht te zullen zeggen. Bismarck had een oorlogszuchtige reputatie verworven bij zijn krijgsbedrijven om de Noord-Duitse Bond om te vormen tot een confederatief verband onder de aanvoering van de Pruisische Koning die tevens Duits Keizer was, maar slechts militaire exclusieve bevoegdheden als opperbevelhebber kon uitoefenen van tactische en strategische aard indien de Rijksdag ermee had ingestemd dat de Rijkskanselier de toestand van dreigende oorlogsgevaarzetting ( “Drohendes Kriegsgefahr“) uitriep. Pas dan zouden de krijgsmachtonderdelen van het Keizerrijk ter beschikking komen van die Duitse Keizer om daarmee defensieve operaties uit te gaan voeren. Vóór die tijd was er geen Duits Rijksleger. Er kon wel een Duitse Rijksmarine zijn, dat krijgsmachtonderdeel bestond feitelijk wel, maar veel stelde dat niet voor. Opgevaren kolengestookte slagschepen met uit de scheepswanden vurende kanons. Bismarck voorzag voorshands geen oorlog in Centraal-Europa. De Fransen waren er achter gekomen hoe razendsnel de Pruisen hadden kunnen mobiliseren in 1870, bij het geprovoceerde uitbreken van de Frans/Duitse oorlog, inderdaad uitgelokt door Bismarck die wist hoe beroerd de Franse spoorwegen waren en hoe goed de Pruisische. Hij had niet voorzien dat de Franse infanteristen zo spoedig volledig in desorganisatie zouden geraken en evenmin dat de Franse burgerbevolking van geen regeringscapitulatie wilde weten.

Hij had nog maanden vechtens voorzien, Bismarck, toen Parijs zich toch ineens overgaf. Het was kantje boord geweest. Want de troepen uit Beieren, Württemberg en Saksen hadden weinig enthousiast meegevochten en waren al gauw de Pruisen spuugzat. Ook Bismarck zag de mogelijkheid onder ogen dat die troepen zouden gaan muiten. Hij haalde dus opgelucht adem toen Parijs ineens het allemaal opgaf: dit soort risico’s wilde Bismarck niet meer lopen. Hij deed een weerstrevende Koning Frederik-Wilhelm van Pruisen uitroepen tot Duits Keizer, liet de Rijksdag van dat nieuwe gekke Keizerrijk een inderhaast in elkaar geflanste constitutie in elkaar flansen en signaleerde ineens heel veel binnenlandse vijanden van het nieuwe Keizerrijk die daaruit dus verbannen moesten worden. Daar was hij in 1888 nog niet mee klaar. Maar het Rijk was inmiddels wel wat geconsolideerd. Maar nog niet aard- en nagelvast. Hij nam zich nu voor de nieuwe Keizer Wilhelm II aan de korte teugel te geleiden. Maar hij vergat dat Wilhelm hem wel kon ontslaan, maar hij Wilhelm niet. Daar kwam hij ineens achter in 1889, maar toen stond hij al op straat voordat hij het in de gaten had. Wilhelm II besloot nu zelf eens te gaan regeren. En omdat hij gek was op oorlogsschepen besloot hij dat er daarvan veel moesten komen, daar zouden de Britten ráár van opkijken. Dat deden ze inderdaad. En leuk vonden ze het niet. Want hun eigen Grand Fleet, voortdurend op stroom onder stoom liggend, kostte al verschrikkelijk veel.

Die nieuwe Duitse schepen hadden al meteen veel betere kanons met vuurleiding en konden dus gevaarlijk worden voor de Britse Vloot over de hele wereld. Whitehall besloot daarom dat de Britten moesten komen met een supermoderne slagkruiser. Met de vermogens om zoveel massaal vuur in linie uit te brengen dat ook de Duitse admiraals het wel uit hun hoofd zouden laten om daarmee slag aan te nemen. Dat leidde tot de tewaterlating van een monsterlijk vaartuig dat “Dreadnought” werd genaamd en dat middentorens had met daarin rondzwaaiende vuurmonden waaruit ontzagwekkende granaten van minstens 320 cm konden worden geloosd. Met een dracht van dertig kilometer. Dat zou de Duitsers leren! Dat deed de Dreadnought de Duitsers metterdaad. Ze leerden van de bouwontwerpfouten die de Britten hadden gemaakt, toen de Dreadnought tussen 1905-1907 was afgewerkt, afgebouwd en vuurklaar inzetbaar afgevaren kon worden. De Duitsers volgden het basisconcept, maar zonder uiteraard de fouten te herhalen die de Engelsen hadden gemaakt en zelfs met perfectionering van de door dezen gebezigde turbinemotoren die aanvankelijk nog met kolen gestookt werden. Deze nieuwere Duitse slagkruisers waren geweldig wendbaar, hadden betere vuurleidingen en veel en veel betere munitieliften tussen de torens en de buikdenning. En met de tomeloze consequentie die de Pruisen kenmerkte ging het Keizerrijk deze grijze monsters steeds sneller in productie nemen en beproeven. Dat was de wapenwedloop in optima forma, die Nicolaas II zo graag had willen vermijden en die ook klauwen met geld kostte. Want Engeland liet dat niet op zich zitten, natuurlijk, en toen moesten Rusland en Frankrijk ook maar volgen. Want iedereen wilde hegemoon zijn en blijven. Waarom eigenlijk, dat wist geen mens. Waren ze maar thuis gebleven.