Dijkers VII

De Benedictijner monniken te Egmond zouden zijn ingehuurd door de eerste Graaf van Holland, de legendarische Dirc I, ook wel Theoderic genoemd. Deze Dirc zou deze monniken hebben verleid om naar zijn duingebied te komen in Kennemerland. Daar liep de zee steeds verder landinwaarts via weteringen en verziltte niet alleen het achterland maar die zee sloeg ook veel duinen weg en deed oevers zwaar afkalven. Daaraan wilde deze Dirc een eind hebben. Hij had veel over deze Ierse monniken gehoord uit West-Vlaanderen waar ze het gebied zuidwestelijk van de getijdenrivier De IJzer volledig zouden hebben omdijkt en gepolderd. Ze hadden eerst een zeewerende dijk gelegd met een breed en zwaar dijklichaam. Dat hadden ze diep in een bedding verankerd met rijen palen verbonden met elkaar door plantaardig vlechtwerk op een dikke riettenen mat.

Om onderloops of achterloops kwelwater tegen te gaan hadden ze de mat verzwaard met basaltkeien. En ze hadden die bedding besluisd met duikersluizen van holle eikenstammen met een klepmechanisme Bij vloed sloot de klep zich door de externe waterdruk. En bij eb ging de klep open en kon het kwelwater wegvloeien via scheidingssloten. Deze werden leeggemalen door windmolentjes met een schroefscheprad. Daardoor loosden de scheidsloten bij een bepaald peil op een boezemwater. En dat loosde op een ringvaart die uiteindelijk het water uitstortte in een wetering zeewaarts. een hele onderneming. Met veel investeringen. Maar het was een groot succes. Dat wilde die Dirc nu ook. Hij beloofde de Abt van deze Ierse monniken dat hij een klooster zou stichten met een stenen bedehuis, enkele hoeven, een aantal schuren en flink wat akkergrond, ongeveer zoals de Cisterciënzer monniken dat ook hadden bij Lisseweghe in het gebied Ter Doest. En daar staat ook nog steeds een monumentale schitterende gotische voorraadschuur, waarom Ter Doest nog steeds beroemd is.

Dirc beloofde daartoe een doelvermogen af te zonderen, een stichting met stoffelijke middelen voor een bestendig bestaan met zekere welvaart. Dirc zei een fundatio toe. En gronden, vee, ossen voor de tractie, koeien voor melk, en liturgische parafernalia, zoals een immens Evangelieboek, een Evangeliarium. Een onschatbaar geschenk. U moet bedenken lezen en schrijven dat kon bijna niemand — we hebben het over de negende eeuw — en een boek met illustraties, antifonen, notennotaties en geschreven Openbaringsteksten, dat was een zonderlinge en unieke gist, evenals het bijbehorend litiurgisch misgerei. De Abt in West-Vlaanderen zag dat helemaal zitten en zond een delegatie naar Kennemerland. Daar werd een Abdij gesticht bij een zeegat dat bekaad werd. Hecmundia, of Egmond. Of die Dirc terecht zich voordeed als wettig heerser is nog steeds een open vraag. Maar dat Evangeliarium kunt u nog steeds gaan bekijken in het Nationaal Archief. Te Den haag, bedoel ik. Niet in Vlaanderen, al komt het, naar alle waarschijnlijkheid uit Rijssel vandaan. Iedereen kwam in de negende eeuw kijken in Egmond. Want dit was groots en meeslepend. Dirc deugde niet — hij was waarschijnlijk een achtergebleven krijgsheer uit Jutland — maar hij wist te werven, zichzelf te verkopen en te onderhandelen. En daar komt alles op aan.