Dijkers X

Dijkers  waren ze natuurlijk niet zelf, die Benedictijner monniken van die Abdij van Egmond. Dat waren priesters. Die konden lezen en schrijven. Die kenden zelfs het Vulgaat-Latijn, het Volkslatijn. Dat taaltje was een van de overblijfselen van het eens zo geduchte Romeinse Rijk. Dat handelsimperium waarbinnen een strategisch wegenstelsel was ontwikkeld en waarin een zekere vrijhandelsassociatie gold. Dat Latijn was primitief, het kende een eenvoudige grammatica. Het was eigenlijk een kunsttaal. Uitgevonden door legeroversten die onder hun Legioenen troepen vonden uit het Verre Oosten en Midden Oosten. Perzen bijvoorbeeld. Of Kaukaziërs. Huurlingen, natuurlijk, geronseld toen ze dronken waren. Uit de Balkan haalden die oversten die gasten óók. Om ze in te zetten langs de noordelijke Limes in de Lage Landen. Waar het zeewater geheid een paar keer per jaar bij noordwesterstormen flink landinwaarts drong. Waar verder niet zo bar veel te halen was.

Die Limes liepen toen veel hoger op noordwaarts dan nu de Rijn en De Waal, moet u bedenken. De legeroversten moesten in een makkelijk leerbaar taaltje bevelen kunnen laten overbrengen en soms zelfs geschreven boodschappen laten bezorgen door hun verrassend adequate kondschapsdiensten van renbodes. Als we de canonieke oorkonden lezen uit de elfde eeuw die in dit Lage Land zijn opgezonden via de aartsbisschop van Keulen of Trier naar Rome dan kunnen we dat taaltje makkelijk ontcijferen en ook begrijpen. Het lijkt veel op het taaltje dat  de kleinseminaristen leerden op hun middelbare school en dat ze soms op de cour plichtmatig moesten spreken tot in het midden van de vorige eeuw. Het is primitief, eigenlijk niet geschikt voor ego-documenten. Maar echt wel duidelijk voor feitelijkheden. Vooral als het ook nog eens om cijfermatige data gaat. Deze priesters waren te deftig om zelf te gaan spaaien en tot aan hun knieën in de blubber te gaan staan. Deze priesters ontwierpen de plannen voor de voorgenomen grote dijkages en daarna te ontginnen polderingen en de omdijkingen van de kwelders die buitendijks aan hun kunstwerken plachten aan te groeien via klei-afzettingen die wiezen met de vloeden. En die verrassend vruchtbaar bleken.

Al dat zware rivierklei met zand vermengd en licht verzilt, dat was prima weide en akkergrond. De monniken vroegen nu aan hun Abt in de Vlaamse Westhoek of ze deze dijkage van die Dirc mochten aannemen op basis van de bieding die hij ná de stichting van het klooster te Egmond deed: de monniken zetten het dijkparcours in loopensen uit. Dat is de middelbare lengte maat van de vroege middeleeuwen: de reikwijdte van een jongvolwassen vent van ongeveer twintig jaar die er de pas in kan houden. Niet om te lopen. Maar bij de zaaibeweging uit een korf.  De loopense, ook wel gespeld als lopense, is een oude Zuid-Nederlandse oppervlaktemaat. De klemtoon ligt op de eerste lettergreep. Het woord loopense is een verbastering van loopensaet, de oppervlakte die ingezaaid kon worden met één loopen, een houten zaaikorf. De precieze grootte van een loopense verschilde per regio. Een Bredase loopense is 1615 m². In Oost-Brabant is een loopense gelijk aan 1655 m². Het is begrijpelijk dat deze monniken rekenden in loopensen. Want ze kwamen tenslotte uit Westelijk Vlaanderen. Daar komt veel vandaan waar de Hollanders nu zo trots op zijn als hadden ze het zelf bedacht.

Deze dijkparken in lopensen werden opgezet in de veronderstelling dat er achter, dus binnenlands, uiteindelijk een polder zou worden drooggezet, belendend aan vijf of tien parken. De kavel die dan door scheidsloten omgeven ontwaterd zou worden zouden de monniken in eeuwigdurende pacht mogen uitgeven aan de omwonenden die belangstelling zouden tonen. Die zouden per jaar betalen in natura. Een tiende van de voorzienbare oogst die op de kavel zou kunnen worden bewerkt nadat de kavel een periode braak had gelegen en bemest was. Er waren geen munten meer in openbare circulatie in deze Lage Landen na 500. Het was dus ook een aanneming in blanco en bij voorraad. De monniken wisten wel dat ze goed konden dijken. Maar niet hoever ze zouden komen. Dat had te maken met het feit dat er geen enkele stellig rechtssysteem meer bestond.  Gegeven was dat er ook geen bestendige gezagsverhoudingen meer bestonden in het publieke domein. Er was een gemijterde in een nederzetting Utrecht. En die noemde zich residerend Bisschop. Die was van mening dat Holland onder zijn jurisdictie viel. Dus dat dijken, vanuit Egmond, dat kon wel eens bonje geven. Vond de Abt in het moederklooster dat dan tóch goed?