Waarom wilde Fruin niets weten van de interventies van de Orde der Benedictijnen bij het landschapsbepalend Hollands Groote Dickagie-project en het daaruit voortvloeiend Groote Ontginningsproject? Dat project leidde immers tot de kenmerkende verpoldering, verkweldering, vervening, droogzetting en verkaveling van Holland met de bijbehorende molengangen, overlaten en versluizingsassen. Daarbij herinnerden alleen al de typoniemen doorlopend aan kloosterlingen, ook in en rond Rotterdam. Er waren daar een Papegang, een straatweg “Achter het Klooster”, een Cellebroederssteeg, een Abtssluis en een Abtswater, een Paterssteeg, een Sint Jobsplaats.
![]()
Fruin begon zijn historiografische heemkundige studies in 1870 te verwetenschappelijken met voetnoten, referenties aan canonieke stukken, archivalia die blijkens hun bestempeling overduidelijk uit Egmond en Hohorst komen. Hij moet zich daarbij toch afgevraagd hebben hoe het komt dat dergelijke stukken kennelijk afkomstig zijn uit Rooms-Katholieke oirkondenverzamelingen en fiscale annotaties. Maar dat legt hij niet uit. Fruin (1823-1899) was ambitieus. Robert Fruin was de eerste in het land die geschiedenis als wetenschap beoefende. Veel studie maakte hij van het werk van Leopold von Ranke. Robert kan als diens leerling gelden.https://stichtingarcadischmadestein.nl/arcadisch-madestein-presenteert-nieuwste-boek/
In 1842 begon hij met een studie klassieke filologie. Hij promoveerde in 1847 en werd leraar aardrijkskunde en geschiedenis aan het Stedelijk Gymnasium in Leiden. Fruin bekleedde als eerste de leerstoel vaderlandse geschiedenis – dat wil zeggen Nederlandse geschiedenis – aan de Rijksuniversiteit Leiden, van 1860 tot 1894. Hij aanvaardde zijn ambt met een rede De onpartijdigheid van den geschiedschrijver. Om zijn leeropdracht te krijgen werd door de universiteit Leiden vereist dat hij de eerbied voor het Oranjehuis weer zou aanblazen. Daar was alle aanleiding voor. Willem III, bekend en berucht als Koning Gorilla maakte weinig van zijn baan en hinderde de parlementaire constitutionele evoluties aanmerkelijk. Hij was een nathals, een fornicateur, een onaanstuurbaar projectiel die door eigenzinnige buitenlands-politieke gesties dat Vaderland behoorlijk in de problemen werkte. Daarom moest Fruin aantonen dat dat Oranjehuis altijd, vanaf Willem de Zwijger af, een onuitsprekelijke en unieke zegen was geweest en gebleven voor dat Vaderland, God, Nederland en Oranje, een protestantse natie bij uitverkiezing door de onuitspreekbare. Daarbij kon Fruin geen Benedictijnen gebruiken. En geen Roomsen.
