Goed, zult u zeggen, maar wat doet het er toe? Stel dat Veldkamp naar de fractie was gegaan en Nicolien had verzocht om zijn opstelling voorwerp van beraad te maken. En stel dat dan daarvan de uitkomst — voorzienbaar of niet — was geweest dat aan Schoof was verzocht de Majesteit in kennis te stellen van deze zoveelste kabinetscrisis van het als extraparlementair gepresenteerde kabinet, ná de voldongen informatie. En dat Schoof had meegedeeld dat NSC nu uit het kabinet wilde stappen. En dat hij, Schoof, nu Majesteit verzocht om de opdracht om op de lopende zaken te blijven passen in heroverweging te nemen, in dier voege dat nu er een personele reallocatie moest plaatsvinden in dit rompkabinet met de demissionaire status. Had dat Majesteit nog ruimte gegund, constitutioneel gezien, om te zeggen: neen, dat weiger ik, ik verlang dat de NSC-ers doorgaan met hun opdracht die ik hen gaf en wachten met hun demissie tot er een volledig nieuw kabinet op basis van de nieuwe stembusuitslag is geformeerd en beëdigd?

Ik zou zeggen: ja, die ruimte had Majesteit zeker gegund moeten blijven, het zou zijn koninklijke prerogatief moeten zijn. Want hij ontslaat naar zijn welgevallen. Zoals hij ook naar dat welgevallen benoemt. Zolang hij maar personen vindt bevoegd en in staat de politieke verantwoordelijkheid daarvoor te dragen. Ik meld ook, dat dat eerder gedaan is: een demissionair premier aanzeggen dat dat tweede ontslag alsnog niet gegeven kan worden. Een voorbeeld uit de oude doos: Wilhelmina weigerde het ontslag van het derde kabinet-Ruys de Beerenbrouck toen het er naar bleef uitzien, in 1923, dat er geen Kamermeerderheid was te vinden voor een nieuw kabinet dat het nog eens met de Vlootwet wilde proberen. Maanden achtereen was er geformeerd om zo’n meerderheid te construeren, maar alle pogingen liepen op de hardnekkigheid stuk van tien katholieken uit de fractie van de Roomsch-Katholieke Staatspartij die tegen de ontwerpen van wet voor de vlootuitbreiding hadden gestemd.
De beruchte en beroemde dissidenten die zich niets hadden willen aantrekken van de fractievoorzitter W.H. Nolens die in een kabinetsakkoord had verzekerd dat zijn fractie akkoord was met die uitbreiding. Wilhelmina hechtte zeer aan die uitbreiding. Want het ging om de verdedigbaarheid van Nederlandsch-Indië tegen de opkomende Japanse agressie in het Verre Oosten. Colijn, de Minister van Financiën uit dat kabinet en politiek eigenlijk de doorslaggevende persoon, wist het net zo goed als zij. Hij wilde ook vasthouden aan de uitbreiding, En hij vond dat de bijpassende financiering maar gevonden moest worden, hoe dan ook. Dan maar diep in de schulden. Japan was een invasie op Java aan het voorbereiden. Maar wat hij niet wist en Wilhelmina natuurlijk wel, was dat inmiddels door Majesteit De Geer was aangezocht om stiekem maar te gaan informeren voor een ander kabinet op een totaal andere basis dan de confessionele coalitie. Het kabinet Ruys moest daarom blijven zitten. Troelstra, de eeuwige oppositieleider, had alle aanleiding om te vragen toen Ruys weer achter de groene regeringstafel plaatsnam of “deze ministers daar weer zaten krachtens last of bevel van de Kroon”. Ruys kon antwoorden dat, zolang de ministers daarvoor de verantwoording wilden dragen, deze vraag verder ongepast was. En dus geen beantwoording behoefde, gelet op de grondwettelijke passus dat de koning hier handelt naar welgevallen.
De Geer gold als een sluwe vos met wie je alsnog alle kanten uit kon en die als vooraanstaand lid van de Christelijk Historische Unie eigenlijk niet echt gek was op de confessionele coalitie. Alleen wilde De Geer daarvoor niet uitkomen. Beatrix, en nu komen we dichterbij in de tijd, weigerde het ontslag aan de ook reeds demissionaire ministers van Binnenlandse Zaken Van Thijn en van Justitie Hirsch Ballin in het kabinet Lubbers III omdat de heren al demissionair wáren. Ze zei: ik kan deze ministers toch niet wegger sturen dan weg? Het ging toen om de ernstige strafvorderlijke misslagen van de opsporingen door het Interregionaal Rechercheteam Haarlem dat onoirbare methodes zou hebben gehanteerd. Beatrix vond niet dat dat de reallocatie wáárd was voor de korte termijn die dat kabinet, reeds demissionair, zou moeten uitdienen tot aan de verkiezingen reeds omdat die onoirbaarheid of onrechtmatigheid niet vastgesteld was in een onafhankelijk onderzoek. In ons Nederlands bestel heeft het staatshoofd dat nu eenmaal ontslaat en benoemt als het om leden van de regeringsraad gaat die bevoegdheid, dat onherleidbare prerogatief bij Gods Gratie. De constitutionele koning moet weten of het wijs is het te gebruiken. Maar hij moet te dezen niet voor voldongenheden gezet worden.
