Men kan natuurlijk opwerpen dat deze staatsrechtelijke folklore waarbij de Koning een ontslagverzoek stomweg niet voor inwilligbaar vatbaar verklaart thans in deze democratisch doordesemde tijden volledig achterhaald is. En dat zal steeds het lot zijn van diegenen die de Kroon eigenstandige bevoegdheden toekennen in tijden waarin de volksvertegenwoordiging eenvoudig niet bij machte blijkt om een hechte, wel doordachte en niet door heftige onderbuikgevoelens geteisterde meerderheid te vormen voor een bepaald beleidspunt, of dat er nu een is van kortstondige of van langdurige aard.

Deze negatieve karakterisering evenwel is steeds vaker toepasselijk op onze Staten-Generaal, of we het nu over de Eerste Kamer hebben of de Tweede, want beide lichamen worden bij voortduring geteisterd door emotionele ontremmingen die ook vrij spel krijgen eenvoudig omdat de Voorzitters ervan erin delen en niet meer de moed opbrengen voor enige afstandelijke neutraliteit. Dat was in de twee gevallen die ik in de voorgaande Blog aanroerde het geval. Dat was destijds toch maar heel incidenteel. Het was geen algemeen gedeelde en gekoesterde politieke habitus. En dat is thans, nu steeds meer passies de gemoederen overheersen, opgezweept door de media toch bepaald wel het geval.
Zo weigerde koningin Wilhelmina het ontslag van de luitenant-gouverneur Van Mook dat ineens werd aangevraagd door het kabinet Drees-van Schaik omdat deze doortastende figuur steeds weer in het broeiend dekolonisatie-conflict in Indonesië deed blijken dat een oplossing niet haalbaar was waarbij beide partijen ongeschonden uit die strijd zouden kunnen geraken zonder de heer Sukarno erbij te betrekken, de nieuwe beoogde nationalistische president van die Indische Archipel. Van Mook erkende ronduit dat hij met Sukarno placht te spreken, omdat het niet anders kon en omdat Nederland, als het Sukarno zou blijven wegzetten als een collaborateur met de Japanners alsdan de hele nieuwe Verenigde Naties tegen zich zou krijgen. Dus de hele wereld. Wilhelmina weigerde het verzoek van Drees, omdat de heren overduidelijk boven hun theewater waren. Vooral Beel en Sassen, de nieuwe minister voor Overzeesche Gebiedsdelen. Drees gewaagde later ervan dat hij nu inzag dat koninginnen ook wel eens heel verstandige dingen doen.
De heren moesten maar eens terugkomen als ze wat rustiger waren. Zulke dingen deed Wilhelmina wel vaker. Juliana evenzeer en Beatrix had er eigenlijk een staatsrechtelijke gewoonte van gemaakt die méér in overeenstemming was met de grondwet dan het als een machine plaatsen van een handtekening onder een vooraf beraamd Koninklijk Besluit. De dames vonden dat de heren te veel acteerden als haantjes op een mesthoop. En dat dat voortdurende gekraai ten koste van de Kroon geen pas gaf. Het kwam natuurlijk naar buiten, dat alles. Want toen werd er ook gelekt dat het niet mooi meer was. Maar omdat de Kroon buiten de partijruzies bleef wisten mensen wel waarom ze naar de stembus gingen. En wat met nieuwe verkiezingen te winnen zou zijn. Dat weten we nu niet meer. Ik niet in ieder geval.
