De Algemene Beschouwingen waren eigenlijk een triest theaterstuk. Meer kan je er weer niet van zeggen. Er zijn drie onderwerpen waarover wel degelijk substantieel iets was te zeggen geweest en die het nationaal belang raken. Ten eerste: de optuiging van de nationale defensie over de drie directe betrokken uitvoerende krijgsmachtonderdelen en hun taakstellingen. Ten tweede, in verband daarmee: onze steeds hybrider wordende verhouding tot de Ukraïne. Blijven we dat oorlogsgebied bevoorraden en waarmee dan? Ten derde de positionering betreffende het toekomende Migratiepakt van de Europese Unie dat gáán effectieve voorzieningen kent met sanctiemechanisme zoals destijds het Verdrag van Dublin inzake de prioriteitsvolgorde van eerstverantwoordelijke staten inzake de terugleiding van illegalen. Deze zaken gaan boven de nationale rechtsmachtkring van Nederland uit.

Ze zijn gegrond op feitelijkheden die Nederland niet kan beheersen. Ze hebben te maken met de geopolitieke positionering van ons land die nu eenmaal ruimtelijk is, zoals ze is. Ze betreffen de bestaanszekerheid van iedereen in Nederland. Ze leveren voor iedereen een nauw verholen noodtoestand op en vorderen beslissingen op korte termijn. Ook als men zou menen dat ze zo controversieel zijn dat de regering in haar demissionaire status ze niet aankan, dan had toch tenminste bespreekbaar gemaakt moeten worden dat en waarom de regering te dezen niet een generieke machtiging moet hebben vanwege de volksvertegenwoordiging om erin te voorzien onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden. Dat had gekund en zoiets is eerder vertoond. Maar toen hadden we wel volksvertegenwoordigingen die hoofd voor hoofd bekwaam waren zich aan de kinderachtige partijpolitiek van jennen en treiteren te ontworstelen omdat het belang der staatszelfstandigheid ertoe noopte.
