Allerzielen 2025

Wederom aan de vooravond van de achtentwintigste oktober denk ik aan het versterf van mijn moeder. Er is weer een jaar voorbij. Ik ga morgen weg van huis omdat ik bij een jubileumfeest moet zijn, elders, dat mij het ganse weekeinde zal occuperen. Uiteraard is het onvermijdelijk aan die merkwaardige nacht te denken. De deemstering, de ambivalentie van het bestaan. Ik herlas nog eens, hoe mij dat alles bijstond. Veel heb ik er niet aan toe te voegen. We zijn in ons gezin  inderdaad onze scheidende wegen afgelopen en kijken, vermoedelijk met dezelfde gevoelens als ik te vergeefs meer dan eens  trachtte verwoorden, erop terug, op die levensgang. Ik ben inderdaad Jacobus Katadreuffe geworden in de figuratie van Lex van Delden. Ik woon niet op kamers-en-suite op de eerste verdieping aan de Heemraadssingel met een sjieke hospita en Jan Maan in het souterrain, maar veel schelen doet het niet. Als ik het wel heb, is het in de nacht van de 28e op de 29e oktober al zolang her geweest dat moeder stierf meer dan veertig jaar geleden. Ik was bij het eigenlijke sterven niet  aanwezig samen met de gezinsleden Lia en Leon die moeder oppasten als haar kinderen.  Vader lag luidruchtig als steeds daverend te snurken in de voorslaapkamer, die wij wel de kamer van Loen plachten te noemen. Broer Loen heeft mij later veel verteld over de wederstrevende Miep, die steeds maar overeind kwam en het bed wilde verlaten, kermend “help me toch!”.

Hij drukte haar dan weer terug, prevelend dat hij haar niet kón helpen. Hij heeft de anderen erbij geroepen. En hij alarmeerde vader en Lia. Een hunner stelde klinisch vast die dat het nu met moeder een einde nam, met zekere stemverheffing, omdat vader — onverstoorbaar als immer — diep in slaap lag en bijna niet wakker te krijgen was. Hij kwam juist op het moment dat  moeder Miep haar laatste adem uitblies in de slaapkamer, pakte haar pols, keek  omstandig op zijn dure horloge en gaf haar een kus. Lia stond er wat bedremmeld bij. Die speelde geen enkele rol. Aldus Loen, later. Benjamin Hans en ik waren er weer niet bij. Ik had toen al twee weken dat huisje aan de Veldmaarschalk Smutsstraat 6 in Tongelre, vlak achter de spoorlijn naar Roermond. Hans woonde bij mij, op de grote slaapkamer. Hij had daar zijn eigen kleur gordijnen voor mogen bestellen, die hingen er nog niet. Ik gaf op de 28e avondcolleges in Tilburg tot 10.00u ’s avonds. Ik herinner mij dat ik stond te doceren voor een volle zaal, wetend dat moeder zou sterven. Ik kwam afgepeigerd thuis, iets na twaalven, Hans lag op bed. Hij had op zijn kamer zijn terraria en aquaria. Uit het terrarium met reptielen en amfibieën ontsnapten regelmatig heel enge beesten. Ik herinner mij een gekko die in eens op de muur zat in het studeerkamertje dat ik beneden rechtsachter had. Daar was ik destijds nijdig over. Op de 28e was net boven vloerbedekking gelegd, vaste novylon in beige tinten. Hans was erin geslaagd, om op een vetkrijtje te gaan staan, lichtblauw, en daarmee door de door hem bewoonde kamer voetsporen te trekken, over de vide en op de blankhouten trap die open eindigde in de woonkamer. Daar kregen we nog onenigheid over, dat weet ik nog goed. Het spul was er bijna niet uit te krijgen. Ik dronk nog wat rode wijn en ging toch slapen, al meende ik zeker te weten, dat moeder stierf. Eng is de poort. Dat werd die nacht duidelijk. Nog duidelijker dan anders.

Net als Katadreuffe heb ik de maatschappelijke posities, niet zonder verkramptheid veroverd die ik destijds ambieerde. En de anderen uit dat gezin toch eigenlijk ook. Mislukt, dat laat ik mij niet afheksen, zijn we niet. Tegenvallen doet het wel, dunkt mij. Maar dat doet het altijd. Die loopbaan, de prestaties, het gewrocht. En als ome Nico ben ik niet geworden, dat is dan één troost. Ik denk overigens niet dat hij zich mislukt achtte. Welnee. En dat is hij óók niet. Ik vond het een vies, vaal, zweterig neurotisch mannetje. Maar hij was eigenlijk best tevreden met zichzelf. Hij woonde daar geheel allenig in dat enorme sombere en naargeestige huis, stampvol gestouwd met de merkwaardigste antiquaria in een onzegbare stoffige rotzooi.  Maar was daar eigenlijk heel content mee, ook als de ratten, Adje en Louis, in de kelder rinkelend de flessen Merlot 1976 omver liepen, op jacht naar stoffelijk gewin. Deze dagen manen tot kritische reflectie, baren verwondering en ampele overweging, maar de uitkomsten zouden bespreekbaar blijven, al reken ik op niets schokkends. Maar het blijft toch  jammer voor moeder dat ze dacht dat ze een groot kunstenares was. Een zeer groot kunstartist. Zoals meerderen bij ons thuis. Het is een gave. Ik deel er niet in. Al kon ik vroeger nog wel aardig tekenen. Nu niet meer. Maar er is heel veel wat ik nu niet meer kan. Maar goed óók.