Nederland was garant geweest van de eeuwigdurende neutraliteit van het Groot-Hertogdom Luxemburg. In 1868 had het deze garantie bij Whitehall afgegeven: het had in Nederland terstond een kabinetscrisis veroorzaakt. Want de Tweede Kamer wist van niks. En die Tweede Kamer vond het ook waanzin, met dat ongelukkige pestlegertje van Nederland. Was die minister van Zuylen van Nijeveldt nu helemaal gek geworden? Het kabinet was niet teruggekomen op de garantie. Dus was de regering afgetreden. Het Nederland van 1918 had daaraan een rechtspositie kunnen ontlenen om zich te melden als onderhandelaar bij de vredesbesprekingen en zelfs bij de wapenstilstand. Het deed dat niet. Wellicht was het ook niet toegelaten. Het had nu eenmaal niet aan de oorlogshandelingen deelgenomen. Maar het was wel degelijk in zijn subjectieve rechten gekrenkt op 3 augustus 1914. Toen was Duitsland Luxemburg binnengevallen tegen de eeuwig door Duitsland gegarandeerde onschendbaarheid en neutraliteit in, onschendbaarheid en onzijdigheid die Nederland had gezworen gewapender hand te zullen beschermen in 1868 als geallieerde van Londen! Hou dat even in de gaten. In het Britste Lagerhuis was de minister van Buitenlandse Zaken Edward Grey daarover ook door de oppositie geïnterpelleerd. Die oppositie stelde vast dat Grey het wilde voorstellen alsof Groot-Brittannië dat in 1831 die neutraliteit van België had gegarandeerd automatisch verplicht was geweest om België terzijde te staan als militaire garant.
Maar als dat zo lag, waarom had Nederland dan Duitsland niet óók meteen de oorlog verklaard toen Duitsland Luxemburg binnen viel? Was Nederland dan vrijgesteld van die automatische verplichting? Grey was er niet uitgekomen en had wat staan mompelen. Maar toegegeven dat Den Haag niet genoodzaakt was wegens die garantie oorlog te verklaren aan Duitsland dat gold als rechtsopvolger van Pruisen. Grey had wel gesteld dat Nederland natuurlijk als geallieerde welkom was in de legers van de westelijke geallieerden. Dat had Londen eigenlijk steeds gevonden. Ook nog in 1918. Maar Nederland maakte geen aanstalten zich nu in Parijs te vervoegen, hoezeer het als garant betere papieren had dan België dat zelfs nooit een oorlogsverklaring had uitgebracht aan Duitsland. Bij vredesonderhandelingen treedt men binnen in de juridische wereld van diplomaten en hun experts-adviseurs die een feitelijke toestand na enkele weken weten om te coderen tot het tegendeel van datgene waarvan men vertrok bij de openingsvergadering. Dat was bij het congres van Wenen, geopend in 1814, gebleken. De Franse minister van Buitenlandse Zaken Talleyrand had zo kunnen manoeuvreren dat hij Frankrijk uit zijn isolering had weten te praten en Oostenrijk, Pruisen en Rusland flink had kunnen uitspelen tegen Groot-Brittannië. En was Napoleon op Elba gebleven, dan was wellicht de Britse minister Castlereagh de vijand geworden van deze staten, want erg tegemoet komend was deze hautaine man niet, overtuigd als hij was van de suprematie van Londen. De overwinning bij Waterloo maakte een eind aan Talleyrand intense en vaardige manipulaties al kwam Talleyrand nog een heel eind.

Maar Pruisen zag toen toch, dat het Groot-Brittannië voorlopig beter te vriend kon houden wilde het zich flink territoriaal expanderen tegen de verlangens van Sint Petersburg en Wenen in. Er was in Nederland een al besproken ingrijpende kabinetswisseling geweest. Het burgerlijk-liberale minderheidskabinet Cort van der Linden was nu vervangen door het confessionele kabinet-Ruys de Beerenbrouck, waarin, voor het eerst, de katholieken onherroepelijk domineerden. Wat dat betekende wist eigenlijk nog niemand. De protestanten vreesden nu een soort dictatuur van de katholieken. Wellicht zelfs een theocratie. De paus zou nu gebieder worden in Nederland, de premier heette een fanatiek rooms-katholiek. Aldus De Savornin Lohman, de leider van de Christelijk Historische Unie. Hij meende dat de bisschoppen nu instructies aan de premier zouden gaan geven. Die zouden dat doen aan de leiband van het hof van Rome, de Heilige Stoel.
Daarom was Nolens, hun fractievoorzitter, natuurlijk destijds in oorlogstijd, in 1916, naar Rome gegaan. Hij was een vertrouweling van de paus. Hij had connecties met de pauselijke internuntius in München, Pacelli. Lohman wist er alles van. Het anti-papisme wies meteen aanzienlijk in den lande. Wat Ruys betreft, Lohman kon er niet verder naast zitten. Dat was geen scherpslijper. Daarom had Nolens hem uitgezocht. Ruys was liever gouverneur van de koningin gebleven in zijn dierbaar bronsgroen eikenhouten Limburg. Ruys had nauwelijks internationale ervaring. Hij was een eerzaam Limburgs edelman die slechts node de hand aan de ploeg sloeg. Hij werd in internationale aangelegenheden geprest door de ondoorgrondelijke, zwijgzame en afstandelijke monseigneur Nolens, destijds aanvankelijk geheim kamerheer van de paus Pius X. Hij was nu apostolisch protonotarius, maar wat dat nu weer was, begreep eigenlijk verder geen mens en Nolens legde het niet uit. Nolens gold als de eigenlijke kabinetsformateur en de regeringsleider achter de coulissen. Nolens vond dat alles moest nagelaten worden wat de katholieken zou kunnen compromitteren. En dat was veel.
