Naarmate de ontstemming in Engeland en Frankrijk toeneemt over de overkomst van de Duitse Keizer – vooral als men verneemt dat de man in watten verpakt wordt – vraagt Heldring belet bij Van Karnebeek. Heldring wéét dan al dat Van Karnebeek vroegtijdig betrokken is geraakt bij die gewraakte overkomst. Hij zegt Van Karnebeek dat Engeland en Frankrijk Nederland economisch gaan afknijpen, op een moment dat de bevolking wat betreft de primaire levensbehoeften – brandstoffen, brood, oliën en vetten, zuivel en dergelijke – schier radeloos is. Zie daarover: C. Smit, Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland, Derde periode 1899-1919, inzonderheid Deel V, tweede stuk, vooral no’s 726, 727, 730, 739, 748, 749 vv en verder Deel VIII, 1917-1919, diverse nummers passim uit de Serie ’s Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, Uitgeverij: Martinus Nijhoff/Staatsuitgeverij: Den Haag, 1971, vooral diverse Engelse memoranda. Frankrijk is in deze periode vooral ontstemd, maar niet agressief. Het dreigt niet met een expeditionaire militaire missie om dan de Keizer te arresteren. De reden is mogelijk, dat daartussen in België nog altijd ligt, dat weliswaar in alles anti-Hollands is maar daarom nog niet in allen dele pro-Frans.

Vlak na 1919 laait het Flamingantisme ook politiek weer op en vooral de vrees dat de Walen België gaan bezigen als Franse militaire ruimte. Er komt nu een Frans/Belgisch Alliantiepact-1919. Hymans vond gewoon dat de Fransen Belgisch grondgebied konden bezigen als uitvalsbasis voor militaire acties tegen Duitsland. Zo’n interstatelijke arrestatieteam van Franse herkomst zou wat hem betreft dus geen probleem zijn. Londen hoefde voor een dergelijke missie alleen maar twee torpedobootjagers te sturen. Een naar de Hoek van Holland en een naar IJmuiden. Twee brigades mariniers, oprukkend naar Utrecht, zouden geen enkele weerstand van enige betekenis landinwaarts hebben ondervonden, zeker niet na de versnelde mobilisatie van het Nederlandse veldleger in december 1918. De Nederlandse bevolking vond de Keizer een ongenode gast. Het was hem liever kwijt dan rijk. Weerstand van enige betekenis zou geen Nederlandse politiemacht ooit bieden. Dat wist Van Karnebeek, die twijfelde aan de regeringsgezindheid van alle Nederlandse troepen met wapendracht, als geen ander.
De westelijk geallieerden zijn thans de enigen die er in dit opzicht toe doen. Kan Van Karnebeek de Keizer niet ronduit vragen om op te krassen? Waarom hem niet stomweg uitgeleverd? Hoe komt de man trouwens uitgerekend nú hier? Maar Van Karnebeek geeft geen krimp en herhaalt dat de regering overvallen is. Heldring, ontstemd, laat niet na dat alles te berichten in zijn invloedrijke kringen. Het politieke probleem verplaatst zich nu, want dat wordt niet zozeer de aanwezigheid van de fysieke persoon van de Keizer, maar de volslagen onwetendheid van de Nederlandse regering omtrent zijn komst en zijn asielverzoek. Dat de Keizer inderdaad in de vroege ochtend van de 10e per rijkstelegraaf doet aan Den Haag. Van Karnebeek maakt die onwetendheid tot dogma. Dat zijn ambtenaren, vooral de gezanten te Brussel, Parijs en Londen tot iedere prijs moeten uit dragen aan de regeringen, in alle lagen, waarbij zij geaccrediteerd zijn. Zelf probeert Van Karnebeek dat dogma te slijten aan de gezanten van die staten, die in Den Haag en poste zijn. In beide gevallen vinden die verkondigingen geen vruchtbare bodem.
