Vijfenveertig jaar ben ik onderdeel geweest van sterk hiërarchische organisaties, deels in publieke, deels in private dienstverleningen. Daarbij heb ik als beginneling moeten wennen aan de sexuele componenten die op de werkvloer een overweldigende rol plegen te spelen en die ik bijna altijd verziekend vond voor de werksfeer, het behalen van de doelstellingen, de wederzijdse achting, het vertrouwen in elkaar en de basale integriteit. En eigenlijk heb ik daaraan nooit kunnen wennen en billijken en aanvaarden ervan is mij bijna nooit goed afgegaan. Ik zat op de Katholieke Hogeschool Tilburg v/h Karl Marxuniversiteit als wetenschappelijk assistent bij de vakgroep strafrechtwetenschappen in de tachtiger jaren van de vorige eeuw en toen begon dat gelazer daar endemische en systemische allures aan te nemen onder het motto dat alles moest kunnen en dat het verboden was iets te verbieden. Er was een hoogleraar die kennelijk — zeg ik achteraf — op het valse plat van de middelbare leeftijd was gekomen in de situatie die men ook wel het climacterium van de mannelijkheid noemt. De midlife-crisis. Vrouwen hebben de hormonale overgang, die er in sommige opzichten op lijkt, maar mannen beginnen dan aan hun tweede sexuele leg, besluitend dat hun huwelijk totaal mislukt is en dat ze hun levensdrang reukeloos uitzitten. Deze hoogleraar was met een veel oudere Italiaanse vrouw getrouwd die hem vermoedelijk vroeger een substituut moeder was geweest, maar die nu ineens afgedaan had.

Het is een bekend en berucht verschijnsel. Er kwamen bij deze vakgroep die duchtig uitbreidde en van allerlei gedragswetenschappelijke specialismen begon te ontwikkelen vacatures. Natuurlijk solliciteerden daarop jonge vrouwen. Jonge jongens ook, maar daar gaat het nu even niet om. Er was een knappe meid bij, die ook nog stewardesse was bij de SABENA. Strak uniformpje, met hoge split, koket dopje, enfin, u kunt zich er alles bij voorstellen. Deze hoogleraar stond in vuur en vlam. begrijpelijk. Dat had ik niet in de gaten, allemaal, ik zat ook niet in de sollicitatiecommissie. Het ging om het vak penitentiair recht. En daarin heette deze stewardesse een bolleboos. Veel expertise aan boord, veel potentie. Die juffrouw werd dus aangesteld in tijdelijke dienst. Dat gebeurde destijds altijd. Eerst was er een proefperiode waarin bekeken werd of die persoon inderdaad ook wetenschappelijke diepgang had en kon doorontwikkelen. Dat bleek het geval. Zei die hoogleraar. Ze kreeg vervroegd vaste aanstelling. En werd bevorderd. Dat zagen andere medewerkers graag gebeuren, want die hadden ook wel belangstelling voor studentes als assistentes in hun specialismen. En die zagen meteen in: wat hier gebeurt, dat lijkt mij ook wel wat. Ik heb straks een persoonlijke maîtresse die mij volledig begrijpt en dienstbaar is in de kundes die ik zo sterk behoef. Er kwamen dus opvallend lekkere assistentes bij. Maar natuurlijk hadden de ouwe voorzittend hoogleraar en ik niks in de gaten, want wij waren eigenlijk nogal wereldvreemd.
Van het één kwam het ander, zoals het behoort. En ook zwangerschappen. Totdat die Italiaanse eega haar beklag kwam doen bij mij als secretaris van de vakgroep over wat er bij ons op de werkvloer allemaal wel gebeurde. Ze had aan het curatorium alvast een uitvoerige brief geschreven, namen en toenamen noemend. En niet verhelend wat er allemaal buitendien nog gebeurde in Leuven aan de academie waarvan die in crisis verkerende hoogleraar ook nog op een of andere wijze in de weekeinden verbonden bleek. Ik bespaar u de details. Die ouwe voorzitter, zwaar protestants ook nog, ontving de Italiaanse dame om haar grieven en invectieven breedvoerig aan te horen bij het etablissement “Boerke Mutsaerts” bij Station Tilburg-West. Ik zat er met beslagen brillenglazen bij. Voorwaar geen romantische plek. En toch: welk een hartstochtelijkheden! Terwijl de jukebox bonkte. De treinen naar Breda óók. De Italiaanse verweet ons gebrekkig leiderschap. Daar kon en kan ik een heel eind in meegaan. Het was dus allemaal onze schuld. Dat vond de decaan ook. Die liet heel veel onderzoeken in het barre geheim. En toen bleek dat die voorzitter en ik christelijke fundamentalisten waren. Ik kijk er nu niet van op. Maar toen nog wel. Een van de oudere medewerkers had zijn dagboek mogen overleggen en daar stond het ook allemaal in. Het was echt goed verslagen. Dat christelijke. En dat fundamentalistische. En zo levensecht. Net als dat dagboek waarop Marco Borsato zijn nek gaat breken. Het is van alle tijden. Dat zal de ICC-Aanklager Khan straks ook ervaren. Want ook die krijgt straks een dagboek onder zijn snufferd. Alleen is hij Islamitistisch. Maar dat maakt niet uit. Een dagboek is een dagboek. En dat liegt niet. Dat mag niet van Allah.
