De Advent had een geweldige betekenis in mijn jongensjaren in dat dorpse Strijp van glasblazers van Philips, omdat de parochiekerk, de Theresiakerk van de jeugdige heilige karmelietesse, ineens zulke afwijkende liturgische ceremonies ten beste gaf. Natuurlijk, omdat de kleur van deze periode een dof paars was in de kasuifels, stolae, koorkap en andere paramenten waarmee de priester omhuld werd, die hem ook noodden tot merkwaardige verstarringen op of aan het altaar. Hij stond ineens gebogenhoofds doodstil. Hij prevelde onverstaanbare formules. Maar dan richtte hij zich abrupt op, alsof God zelf hem ried er kort spel mee te maken. Jezus ging geboren worden. Dat wist God zelf ook wel. Dat zag je van hier. Dus opschieten met die handel.

Er waren ook bijzondere aflaten te verwerven, kwijtscheldingen van zondeschuld, zodat een mens niet zo lang in het vagevuur hoefde te verwijlen, die ook te bekomen waren voor bloed- en aanverwantschappelijke betrekkingen, waarvan in gezinsverband de mare was dat zij het erg bont hadden gemaakt in hun levens. Meestal ooms, die hem wel lustten – hier ging het onvoorwaardelijk om jenever – en vloekten en soms zelfs naar onkatholieke voetbalwedstrijden gingen op zondag. Dat kon in Strijp niet. Daar werd alleen maar gevoetbald op leerstellig verantwoorde katholieke grondslag. Dat was een hele troost. Mijn opa was ooit in Rotterdam naar Feyenoord geweest op zondag wegens de kampioenschappen voor de onafhankelijkheidbeker en dat was een familiedrama geworden.
Het allermooiste was dat we de nachtmis in de parochiekerk gingen zingen met een echt orkest met violen en hout- en koperregistratie, het Heliconorkest. Dirigent Baars, die het wel een beetje hóóg in de bol had wat betreft de muzikale spanbreedte van het kerkkoor, had de neiging bijzonder ingewikkelde partituren uit te kiezen. Maar, gelooid door de ervaringen, koos hij gelukkig ook wel makkelijkere missen uit van Mozart, waaronder de zogeheten Spatzenmesse, KV 220/196b, Mis IX. Die was niet boven het vocaal vermogen van de jongens van de rauwe en volkse Sint-Willibrordusschool aan de Zeelsterstraat en dat van genoemde glasblazers en kleinere middenstanders.
Ze was kort en toch feestelijk en kent mooie koperpassages. Daaronder dan breed stralend de zingende snaren van de violen met een temend orgel, waarop de wijkmusicus Jacques Wijnen zich helemaal liet gaan. Het was voor zo’n jongetje als ik geweldig daar tussen te staan, tussen al die volwassen deelnemers die de meest ingewikkelde en spannende dingen deden die je nog nooit had gezien daar in dat landelijke Strijp. Vooral de dames met de violen die met allerlei gezichtstrekkingen de snaren duchtig beroerden, de handen wriemelend bewegend langs de snaren die over de zwarte kam liepen van hun instrumenten met hun wonderbaarlijke gevlamde houten kasten met de mystieke inkepingen.
