Spatzenmesse II

De mannen zaten roodaangelopen bol opgerold in hun koper, waaraan ze ineens, met een davering, een galmend geloei ontlokten dat samenvloeide met de orgeltonen en meervoudig weerkaatst werd door de cementen spanbalken van het enorme schipdak. Er wás een geweldige akoestiek in die kerk. Daarin kwamen de vier geprivilegieerde koristen, sopraan, alt, tenor en bas, fortissimo tot hun dierbaar recht. Maar jij deed dan ook maar mee. Ook al kon je eigenlijk nauwelijks wijs houden, normaliter al niet, maar nu helemaal niet meer. Het is eigenlijk opmerkelijk welk een educatieve betekenis zo’n kerkkoor dan had, in die oude, veelgesmade liturgie van voor het Tweede Vaticaans Concilie. Ik voegde persoonlijk een heel bijzondere dimensie toe aan deze ceremoniële samenzang. Niet direct iets liturgisch. Mijn vader placht van een zo nu en dan bij ons thuis inwonende  commensaal, in de wandeling ome Arnold genaamd, flesjes met parfummonsters van Bourgeois te betrekken, voor niets. Deze ome Arnold was handelsreiziger in deze luxe odeurartikelen, die voor een normaal mens gewoonweg onbetaalbaar waren.

Ome Arnold gaf aan mijn verwekker soms een plastic tas vol met deze monsterflesjes. Mijn vader wachtte nu totdat deze monsters door tijdsverloop bedorven waren. Dat deed hij ook met flessen bourgogne die hij ook van handelsrelaties uit het assurantiewezen placht te bekomen als geschenken. Die ontkurkte hij wel, nam enige slokken, maar herkurkte en verbeidde het moment dat ze door gisting dreigden te exploderen. Dan consumeerde hij de inhoud. Voor de zekerheid deed hij dat vergezellen van een aantal borrels oude klares van A1 Ketel. Dat verkwikte de man in het bijzonder. Nimmer maagkrampen gehad. De Bourgeoismonsters stortte deze man over mijn schuldeloze hoofdje als ik mij met een keurig wit overhemd met strikje opmaakte om naar het koor te gaan op kerstavond. Ik stonk dus duchtig naar het sperma van een maanzieke muskusrat als ik mij naar boven wentelde via de koortrap naar het balkon, de altzijde zoekend bij de orgelklavierstelling, waar de organist Jacques Wijnen zich alvast in zat te dreunen. Hij trok, bevreemd snuivend, dan ook bij mijn aannadering wit weg. De dirigent Baars eveneens.  En later de ook arriverende altpartijen evenzo. Ik had zelf niets in de gaten. Alleen kreeg ik ook hoofdpijn op den duur. Aldus stinkend als een beerput, kweet ik mij van mijn vocale taak. Ik was eindelijk tot iets nuttig. Tot stichting van het opperwezen. Want ik bewees door loutere aanwezigheid luister aan de Alverlosser, die dan ook moeiteloos mens werd op deze gezegende avond.

Je hoorde niet alleen toe; een jochie als ik maakte, zomaar, gewoon, deel uit van dit auditief breed ingezette spektakel. Ik was cultureel bezig. Hoogstaand. Dat las ik dan ook later met instemming in het Strijps Weekblad, waarin de prestaties van Baars breed uitgemeten werden.  Hij zette Strijp immers hoorbaar op de kaart. Wij waren tot grootse uitvoeringen in staat, aldus de verslaggever, en deden niet onder voor het Brabants Orkest. Ik deelde in deze faam, stinkend en wel, al vermeldde de journalist dat niet. Ik was ook bestemd tot grootheid. Je zag ook wel hoe de trompettist zijn spuug uit het mondstuk op de kokosmat liet lopen, terwijl Baars het voorhoofd wies en streng wenkte dat de jongens op het koorfront niet moesten grinniken om deze onbeoogd door Amadeus Mozart veroorzaakte fluimbestoven reinigingen, want alles onder de gewelven resoneerde zeer sterk.  We waren allemaal diep onder de indruk van de jongenssopraan uit de derde klasse die, alsof het niets was, solerend de ganse kerk diep deed buigen via zijn hoge vibrato tijdens het bezingen van Christus’ menswording in die Nacht der Nachten, toen een Ster bleef Stillestaan.

Spontaan besloten we dat deze uitslover deze keer niet afgepeerd zou gaan worden als de kerst erop zat. Even werden zelfs Strijpse jongens door die kerst geheiligd.