Aangezien onze kostwinnaar op een gegeven moment had besloten dat het getal van zijn kroost te zeer wies, gelet op de beperkingen van het pand Zeelsterrstraat 37, had hij zich de gedragslijn aangemeten steeds minder huiswaarts te keren en daar ook lijfelijk te vertoeven. Hij nam eeen groot aantal hobbies tot zijn fysieke vrijetijdsbesteding die hem kennelijk noopten tot verwijl elders in oorden die voor zijn eega en kinderen voorshands onbereikbaar bleken. Hij werd bijvoorbeeld imker met een groot aantal kasten op de Strabrechtse Heide. Of duivenmelker. Die ook wedstrijden deed vliegen vanuit Bordeaux. Ook niet naast de deur. Dan wel houder van een op reptielen afgestemd aantal paludaria met een zeer specialistische temperatuurregeling. Die niet adequaat te borgen ware in de voorkamer met erker, ook al was het pand op zichzelf ruimtelijk redelijk behoorlijk. Of een terrarium met daarin de meest gruwelijke geleedpotigen zoals vogelspinnen of grauwe sluipers die ook zwaar letsel konden veroorzaken via gifbeten. Ik denk even aan schorpioenen van handpalm-grootte. Deze boeiende diertjes plantten zich voort, dat is waar, en dan stalde hij ze tijdelijk in dat pand in jampotten die hij volgtijdelijk ook niet goed afsloot. Daardoor kreeg mijn moeder ook de allures, maatschappelijk gezien, van een onbestorven weduwe die opmerkelijk weinig bezoek placht te krijgen. Tot bevreemding van de plaatselijke geestelijkheid die ook kwam informeren hoe het zat. Dat deed dat geestelijk gezag echter niet meer nadat de pastoor De Beer een vogelspin had ontwaard die de sjerp om ’s mans middel bekwaam beklom, kennelijk op zoek naar kolobrie’s die daar niet plachten te verwijlen.

De buurvrouw van de kolenhandelaar was niet voor een gat te vangen en vreesde dat gedierte niet, doch sloeg het vakkundig dood. Miet Wijnhoven. Haar kostwinnaar, echtgenoot en duur kostgeld betalende commensaal, was een berucht innemer van alcoholica, zeker in de feestdagen, maar ook hij werd beslopen door zekere reserves wanneer hij een gifkikker zag kleven op de behangpartij achter het bureau waarop onze vader polissen placht op te maken. Dusdoende vereenzaamde moeder toch wel enigszins, zulks in combinatie met haar weigerachtigheid het plaatselijk subdialect te imiteren. Maar op oudejaarsavond kon Miet niet steeds nauwkeurig controleren in welke staat van alcoholische contemplatie haar bedgenoot verkeerde, ook al omdat het deeg van de oliebollen niet genoegzaam bij het rijzen volume maakte. De buurman had overdag ter gelegenheid van de komende jaarwisseling al menige neut gesavoureerd in het achter het pand gelegen gangetje dat een restant ligusterheg omvatte ter erfafscheiding met het machinebedrijf van de familie Peels dat achterin dat gangetje ook nog een schilderachtige ingang had van een schemerige werkplaats.
Buurman had in die heg een fles Relsky-Wodka veil liggen, omdat Miet naarmate het nieuwe jaar naderde steeds duidelijker en onbetwistbaar placht uiteen te zetten wat er met de geestelijke huishouding van haar man allemaal schortte. En zulks overtuigend met tal van plastische voorbeelden. Met stemverheffing. Goed volgbaar voor de buurt, die dan ook in de achtertuinen ademloos luisterde, want dit was beter dan de schalkse voordrachten van Wim Kan die destijds veel furore maakte met het cabaret dat ook op de verrekijk werd uitgezonden en menigeen aan de buis kluisterde. De kolenboer kon dan met achteloze mimiek zich tuinwaarts begeven, naar die heg en daar het innerlijk gemoed nader verwikken via die helse peperwodka. Had hij dat meermalen gedaan terwijl de oliebollen spetterden in het sla-olievet, dan wendde de buurman de wankele schrede naar de voordeur van nummer 37. Belde indringend, soms bij herhaling. Zonk vervolgens op die knie. En hief dat Wolgalied aan. Ten behoeve van mijn primair verwezen moeder die nooit heeft geweten hoe dan te handelen. Het blijft een euvel.
