Geersing heeft zich, zeker op den duur, ontpopt als een principieel dwarsligger tegen alle soorten van historiografie, geopolitieke duidingen en gesubsidieerde ideologieën van overheidswege begunstigd. Steeds weer met een beroep op objectiveerbare en dus falsificeerbare bebronningen via authentieke stukken die hij ook heel precies naar vindplaats, strekking en archiefnummer opgaf. Waarbij Geersing steeds weer bezwoer dat men gebeurtenissen moest plaatsen en interpreteren in de context van de tijd waarin ze plaatsvonden en dus niet op basis van achteraf gewonnen inzichten en daarop gestoelde herwaarderingen in morele, ethische of humanitaire zin omdat het achterliggend mensbeeld duchtig veranderd was sedert de Tweede Wereldoorlog en de beëindiging van de Koude Oorlog tegen het Stalinistische geopolitiek massief dat zich na de conferentie van Potsdam ontwikkeld had en vastgezet in de breinen van de politici die de wereldrechtsorde meenden te kunnen bepalen. Daarom werd Geersing het niet te moede om steeds weer opnieuw geschiedvervalsingen achteraf aan de kaak te stellen op basis van een diepgevoelde afkeuring van het imperialistisch kolonialisme dat sedert de Vredesregelingen van 1815 te Wenen zich vaardig had gemaakt van de buitenlandse politiek van de Westerse mogendheden die een transoceanische vloot konden onderhouden en tot beurtvaart brengen. Destijds stond voor de leiders van die mogendheden vast dat dat kolonialisme iets verdomd goed was voor de staten die dat effectief konden verwezenlijken. Ze kregen daardoor de beschikking over kostbare grond- en delfstoffen die ze konden omzetten in halffabricaten geschikt voor massale verschepingen op de beurtvaartlijnen waarover ze monopolies konden afdwingen.

Londen begon er mee, maar wie op het West-Europees continent iets wilde voorstellen en ertoe in staat was, moest met deze opstellingen tot expansie van het Moederland instemmen, of het nu echt wilde of niet. Men meende destijds axiomatisch dat staten in dit opzicht elkaar naar de kroon moesten steken om als rechtsorganisaties te kunnen overleven binnen het oorspronkelijk territoir. Men oordeelde dat de mensheid zonder deze competities niet zou kunnen bestaan binnen enige regelmatige ordening naar onzienlijke normen. De mogendheid die deze wedstrijd het meest succesvol wist te doorstaan zou de wereldhegemonie krijgen en daarmee zijn rechtssysteem kunnen exporteren naar de staten die deze expansie niet wilden, de strijd niet aangingen en de investeringen niet konden opbrengen. Wie dat wel kon, was bevoegd de staten hun plaats in de staatshiërarchiën aan te wijzen. En na 1850 was dat Whitehall dat dat steeds pedant, frikkerig en arrogant maar met vrucht deed. het kon dat, want het had steeds de grootste oorlogsvloot ter wereld op stroom liggen. Daardoor, zo dacht Whitehall, kon het de wereldeconomie dicteren en grote handelsvorderingen opbouwen ten laste van de andere staten die als schuldenaren die nooit zouden kunnen vereffenen een soort tweederangspositie kregen jegens Londen en desgevallend hun edelmetalen daar zouden moeten stallen. Als willoze werktuigen. Soms ter afdoening van de vorderingen. En soms tot zekerheidsstelling. Zo is steeds het systeem gebleven tot 1945.
Een staat die deze effectieve expansie wel kon ondernemen maar naliet, benadeelde zijn bevolking grotelijks en onherstelbaar. Dus deed Den Haag aan de expansie mee, dolblij dat Londen haar toestond, want eigenlijk had Den Haag de doorzettingsmacht die daarvoor nodig was niet. Nooit gehad óók. Die expansie meende het te kunnen wederopnemen in 1945, toen het meende dat Londen wel weer zou toestaan dat het de Indische Archipel binnen het oude systeem weer effectief zou hernemen, mits het maar flink investeerde in militaria. Dat was Den Haag dan ook van plan. Het meende dat de wereld niet anders verwachtte en dat de wereld dat verdomd goed zou vinden gelijk voorheen. Geersing heeft historici steeds voorgehouden dat men onder deze invalshoek de koloniale politiek die het kabinet-Schermerhorn dacht te hervatten in 1945 steeds zou moeten waarderen en ijken naar de standaarden die de koloniale mogendheden er steeds op na gehouden hadden. Dat was immers in het belang van het Nederlandse volk. Dat wist het nog niet. Maar hun staat was failliet. Die staat moest buitenlandse deviezen winnen. En dat kon alleen via die Archipel. Geersing dacht dat iedereen dat waarachtig wel begreep. Het was een misvatting. Maar een redelijke.
