Het lag dus voor de hand dat Geersing zich ging bezighouden met de casus-Westerling, met name op diens beweerde leidinggeven aan excessen op de Archiplelgroen Celebes, thans bekend als Sulawesi. Wie was deze Raymond Westerling eigenlijk? Raymond Pierre Paul Westerling (Constantinopel (Istanbul), 31 augustus 1919 – Purmerend, 26 november 1987), bijgenaamd de Turk, was in de rang van kapitein de commandant van de Speciale Troepen, die de Nederlandse regering in de jaren 1946-1948 inzette tegen de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd in toenmalig Nederlands-Indië. Westerling maakte sinds 1942 deel uit, samen met een groepje medesoldaten, van een nieuwe tak van de landmacht, de voorloper van het Korps Commandotroepen (KCT), de No. 2 Dutch Troop. Dit was een speciale eenheid in het leger die als een soort van spionagedienst te werk ging. Westerling leerde deze stijl van opereren tijdens zijn opleiding door Britse soldaten in Engeland. Van december 1946 tot maart 1947 voerde hij ‘zuiveringsacties’ door op Zuid Celebes (Sulawesi Selatan), daarna was hij op Java actief. Hij kwam in opspraak. Steeds door berichtgeving in de periodieke pers en later in de massamedia van de televisie. Thema was steeds zijn aansprakelijkheid als militaire bevelsbevoegde meerdere voor wrede en meedogenloze acties tegen Indonesische guerrillastrijders, in die berichten vaak vrijheidsstrijders en opstandelingen tegen het koloniale gezag genoemd, tegen hun sympathisanten en anderen. Die anderen werden steevast aangeduid als burgerlijke gegijzelden die ter afschrikking op last van Westerling werden afgemaakt. Zijn opdrachten kreeg hij daarbij, zoveel stond steeds vast, van de Nederlandse legerleiding en van de operationele commandant ter plaatse, maar hij gaf daaraan ook een eigen invulling.

Dat zou ertoe geleid hebben dat op eigenmachtig bevel van Westerling mensen werden gemarteld en vermoord. Deze daden en opstellingen werden in deze berichten steeds aangeduid als oorlogsmisdrijven. Na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 speelde hij een rol in een mislukte coup tegen het nieuwe Indonesische bewind, dat onder leiding stond van president Soekarno. Westerlings rol in de onafhankelijkheidsoorlog die leidde tot de oprichting van de huidige Indonesische eenheidsstaat is nog steeds omstreden vanwege dat excessief geweld, die steeds misdaden tegen de menselijkheid en de burgerslachtoffers die daarbij zijn gevallen opleverden. Aldus althans de berichten die het Moederland vooral in 1948 in beroering brachten in bepaalde politieke kringen. Westerling was en werd daardoor in Nederland een hoogst suspect figuur, met wie welmenenden of het denkend deel van de natie die, als intellectuele bovenlaag deelden in de gangbare modieuze zienswijzen op het Westers dekolonisatiedrama zich niet wensten te associëren. En dat was iets wat Geersing, u raadt het al, op zijn beurt niet kon verkroppen. Daarbij speelde vooral een rol dat het koloniaal gezag te Batavia in 1946 in de persoon van de toenmalig plaatsvervangend landvoogd, de Luitenant-Gouverneur-Generaal Huib van Mook, in de hele Archipel waarover Nederland soeverein gezag mocht uitoefenen van de westelijk geallieerden die de verklaring van Potsdam hadden aanvaard over de status van de westerse koloniën in Het Verre Oosten, de uitzonderingstoestand van Beleg had uitgeroepen, zulks op grond van het Indisch Regeringsreglement-1854.
In deze uitzonderingstoestand behoeft het Militair Gezag dat tot rechtshandhaving is geroepen in risicodragende regio’s zich niet echt veel van de klassieke grondrechten en staatsburgschapsrechten aan te trekken van de onderdanen en de verder rechtmatig verblijfshoudende vreemdelingen en mag het politieel standrecht uitoefenen zonder de tussenkomst daarbij af te wachten van de burgerlijke rechter, mits deze bevoegdheid uitdrukkelijk is opgedragen aan een troepencommandant. Daarbij hoort dat over de persoon van die commandant en diens territoriale bediening en de duur daarvan naar tijd geen misverstand mag kunnen bestaan. Deze persoon en die bediening moeten in een mandaat vanwege de Algemene Territoriale Commandant dan ook gedetailleerd zijn omschreven. Het genoemde regeeringsreglement-1854 ging ervanuit dat dat standrecht zou worden uitgeoefend door de bevelhebbers van pacificatiebrigades, meestal samengesteld uit soldaten van het Wapen van de Indische Koninklijke Marechaussee, doorgaans vooral samengesteld uit de door de inlanders gevreesde Molukkers, de trouwste bondgenoten van de Nederlandse Kolonisator. In 1922 werd het Regeeringsreglement duchtig gewijzigd, maar deze voorzieningen nopens het standrecht bleven overeind. Batavia verscherpte ze nog iets, want na 1920 had het steeds vaker te maken met opstandige volksbewegingen die onafhankelijkheid eisten voor de Archipel die volkomen los van Nederland hoorde te staan in een nog te bepalen staatszelfstandigheid. Dat Westerling zulk een mandaat had, staat vast. De vraag kon daarom alleen nog zijn of hij daarvan juist gebruik had gemaakt, waarbij de rechtsbeginselen van subsidiariteit en proportionaliteit een belangrijke rol speelden, ook bij latere rechterlijke toetsing, wanneer de uitzondering van de Staat van Beleg zou zijn opgeheven bij wetsbesluit. Voor Geersing stond vast, dat als Westerling deze mandatering had gekregen, al zijn daaruit voortvloeiende opstellingen, gedragingen en politionele beschikkingen opgedragen aan onderhebbenden in beginsel gerechtvaardigd zouden zijn, tenzij het tegendeel bewijsbaar zou blijken volgens de bewijsregelingen die in 1854 golden. Dat was stellig op dit punt de essentie van dat Regeeringsreglement.
