Het VN-geweldverbod en het gewelddadig optreden van de USA in de Cubacrisis 1962-1963

Het is beslist niet zo dat de rechtsregelingen van het VN-charter allemaal zijn gebaseerd op een universeel en onvoorwaardelijk absoluut geweldverbod jegens Charter-staten dat als een dogma aanvaard moet worden door de Charterpartijen en waarin geen belangenafwegingen passen ter nuancering, relativering of zelfs doorbrekingen van dat verbod naar territorium, personeel en naar tijd. Op dit eigenste moment doen de Westerse Mainstreammedia die de Trump-administratie in een zo kwaad mogelijk daglicht willen stellen of dat dogma allesbepalend was bij de tot standkoming van de Declaratie van San Francisco van 1945. Maar dat is eigenlijk een verkrachting van de rechtsgeschiedenis van de totstandkoming van dat basisdocument. Op het moment dat de redactie daarvan startte, was de Tweede Wereldoorlog nog niet afgelopen door een finale en onherroepelijke vredesregeling. De geallieerde staten waren nog wel degelijk in staat van oorlog met de centrale vijanden Nazi-Duitsland, Mussolini-Italië en het Imperiale Japan. Met de eerste mogendheid die steeds overal en nergens tactisch bleef doorvechten terwijl een integraal tenietgaan van Nazi-Duitsland onmiddellijk dreigde en een vredesregeling met Berlijn onhaalbaar bleek — mede deswege — is ook nooit een uitputtende vredesregeling tot standgekomen. Churchill wilde haar niet. Omdat Stalin haar juist wel wilde. Ook met Japan kon pas geruime tijd nadien, na de integrale regeringscapitulatie op het Slagschip Missouri, een uitgefaseerde uitvoeringsregeling tot standkomen ter slechting van alle wapengeweld. Reeds omdat Tokio met geïsoleerd doorvechtende eenheden geen radiocontact meer kon leggen. De USA mocht daarom in zoverre haar geweldsmonopolie nog aanwenden met militaire middelen en bleef dat doen.

De Cubacrisis van 1962 (vaak geassocieerd met de nasleep in ’63) vormt een opwindende en illustratieve casus in het internationaal recht. Het dwingt ons te kijken naar de spanning tussen de letter van het VN-Handvest en de geopolitieke realiteit van de Koude Oorlog. In de Korea-oorlog bleek al aanstonds dat de USA dat monopolie aanwendde als voorheen, ook in de periode dat een machtiging vanwege de VN-Veiligheidsraad er nog inzat. Zie voorgaande Blog. Bij de bedwinging van de Cubacrisis van 1962 beroep de USA zich dan ook steeds en terstond op dat monopolie dat het ongeschonden had weten te preserveren na de onderhandelingen voor de oprichting van de VN als collectieve militaire veiligheidsorganisatie. Deze crisis ontstond toen bleek dat Fidel Castro vlak vóór de westelijke voordeur van de USA raketbases liet bouwen voor het opstellen en afvuren van nucleaire ballistische projectielen met kernkoppen gericht op de USA. Terstond viel de USA op dat monopolie terug en begon met haar afdreigingen aan het adres van Het Kremlin dat kennelijk stoïcijns voortging met het aanvoeren van strategisch materiaal ter voltooiing van deze bases. Een uittarting van de hegemoniale westerse macht, dat was duidelijk, een handschoen die Washington ook opnam en wierp. De USA legde een absolute maritieme blokkade rondom Cuba en waarschuwde dat het van zijn monopolie zonder dralen gebruik zou maken als Moskou de blokkade zou trachten te doorbreken: een bevoorradingsvrachtschip wa reeds met dat doel onder Russische vlag onderweg. De kernvraag is of de Amerikaanse “quarantaine” (blokkade) van Cuba een schending was van het geweldverbod of dat er een juridische rechtvaardiging bestond. Uiteraard was ook hier het Juridisch Kader:  het algemene reeds geciteerde Artikel 2(4) VN-Handvest. Artikel 2, lid 4 van het VN-Handvest stelt dat staten zich in hun internationale betrekkingen moeten onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere staat. In principe zijn er slechts twee legale uitzonderingen op dit verbod: Zelfverdediging (Artikel 51 VN-Handvest). Autorisatie door de VN-Veiligheidsraad (Hoofdstuk VII). Wat was in dit geval de Noord-Amerikaanse Argumentatie?

De VS bevonden zich in een lastig parket: een totale blokkade wordt internationaalrechtelijk gezien als een oorlogsdaad (geweld), maar er was nog geen gewapende aanval van Cuba of de Sovjet-Unie geweest. Een beroep op “zelfverdediging” in strikte zin leek mogelijk al was er nog geen fysiek begin van uitvoering naar uiterlijke verschijningsvorm van agressie. De VS beriepen zich bewust niet op Artikel 51. De reden? Artikel 51 vereist een “armed attack” (gewapende aanval) die reeds heeft plaatsgevonden. Het preventief aanvallen omdat er raketten worden geplaatst, viel destijds (en ook nu nog grotendeels) buiten de klassieke definitie van zelfverdediging. Daarom viel de USA terug op de exceptie op het geweldsverbod ex artikel 2 van het Charter bestaande in Regionale Handhaving van Wet en Recht voor de staten binnen het Amerikaans geopolitiek contentaal verband, hierna ook: OAS. De USA betoogde trustee te zijn van deze OAS. De voornaamste juridische strategie van de VS liep via deze Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) als geoplitieke belangengemeenschap.. De OAS nam een resolutie aan die aanbeval om “alle maatregelen” te nemen om te voorkomen dat Cuba een militaire dreiging zou vormen. De VS stelden dat dit een legitieme actie was onder Artikel 52 van het VN-Handvest, dat regionale regelingen toestaat voor het handhaven van vrede en veiligheid. Deze constructie ontmoette veel kritiek omdat ze de verhouding tot het geweldverbod onduidelijk zou maken. Veel rechtsgeleerden bekritiseren de Amerikaanse positie om de volgende redenen: Handhavingsdwang: Artikel 53 van het VN-Handvest stelt expliciet dat regionale organisaties geen dwangmaatregelen mogen nemen zonder voorafgaande toestemming van de VN-Veiligheidsraad. Die toestemming had de VS niet. Quarantaine vs. Blokkade: De VS gebruikten de term “quarantaine” in plaats van “blokkade” om minder agressief te klinken, maar juridisch bleef het een eenzijdige beperking van de vrije zee en een dreiging met geweld. Anticipatory Self-Defense: De crisis wakkerde de discussie aan over anticipatoire zelfverdediging: mag je toeslaan als een aanval onafwendbaar is (de Caroline-doctrine)? De VS schuwden deze term destijds officieel om geen precedent te scheppen waar de Sovjet-Unie gebruik van kon maken. Maar het argument van deze geanticipeerde zelfverdediging in noodweer en noodtoestand vond in de Algemene Vergadering bedde consensus. De wereld wankelde terug van het Armageddon. Tijdelijk. Maar toch. Conclusie De verhouding tussen de acties van de VS en Artikel 2(4) is uiterst gespannen. Strikt genomen handelden de VS buiten de kaders van het VN-Handvest, aangezien er geen sprake was van een voorafgaande aanval en de Veiligheidsraad geen toestemming had gegeven. Het incident liet zien dat grootmachten in tijden van existentiële dreiging het internationaal recht eerder gebruiken als een instrument voor diplomatieke inkleding dan als een strikt bindend voorschrift. Het succes van de crisis zat hem dan ook niet in de juridische zuiverheid, maar in de de-escalerende diplomatie tussen Kennedy en Chroesjtsjov.