Zoals we nu weten was Frankrijk weer eens niet in staat om een dekolonisatiepolitiek zonder militaire geweldpleging in Frans Indochina te ontwikkelen zonder volkomen gezichtsverlies als glorieuze mogendheid. De Franse militaire expeditionaire legerafdelingen leden een ultieme en volkomen nederlaag bij Dien Bien Foe en moesten capituleren voor de inheemse milities die uiteraard support ondervonden vanuit het communistische blok in Het Verre Oosten. Vernederende en slopende onderhandelingen in Parijs volgden en het leek erop dat de Fransen moesten zwichten voor de communisten die zich steeds internationaler deden gelden en overduidelijk bezig waren zich te verzetten tegen de indammingspolitiek die uit de Truman-doctrine van 1948 scheen voort te vloeien. De doctrine, gestoeld op de aanname dat de communisten een wereldwijde coherente expansiepolitiek konden realiseren ter vestiging van hun totalitaire staatkundige ideologie die destijds nog veel Stalinistische trekken vertoonde. Daarom meende Washington dat het tussenbeide moest komen via militaire geweldpleging, om deze communistische expansies te stoppen en raakte de USA in een Vietnam-oorlog terecht. En dus schond de USA het geweldverbod dat uit het Charter leek voort te vloeien. Hoe legitimeerde de USA dat? Was dat wel legitimeerbaar volgens stellig volkerenrecht? De juridische rechtvaardiging van de Verenigde Staten voor hun militaire aanwezigheid in Vietnam en Cambodja is een van de meest bediscussieerde thema’s in het internationaal recht. Het geweldverbod in Artikel 2, lid 4 van het VN-Handvest stelt immers dat staten zich moeten onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van een andere staat. Was Washington nu waarachtig weer in staat om zijn gewelddadige interventies onder te brengen onder de rubriek gerechtvaardigde geanticipeerde zelfverdediging?

Om dit te rijmen met hun acties, hanteerde de VS inderdaad in eerste aanleg wederom een combinatie van verdedigingsmechanismen en interpretaties van het Handvest. De USA-inval in Vietnam was te boeken, zei Washington, als Collectieve Zelfverdediging (Artikel 51). Aldus de USA in de Veiligheidsraad. De primaire juridische basis die de VS aanvoerden voor hun interventie in Zuid-Vietnam was het recht op collectieve zelfverdediging ter rechtsherstel en vredesconsolidatie, zoals vastgelegd in Artikel 51 van het VN-Handvest. De Theorie: De VS stelden dat Zuid-Vietnam (de Republiek Vietnam) een onafhankelijke staat was die het slachtoffer werd van een gewapende aanval door Noord-Vietnam. Hoewel de Geneefse Akkoorden van 1954 Vietnam als één land zagen dat tijdelijk verdeeld was, behandelde de VS het zuiden als een soevereine entiteit. SEATO-verdrag: De VS beriepen zich op het Southeast Asia Collective Defense Treaty (SEATO). Ze beargumenteerden dat zij een verplichting hadden om bij te springen zodra een bondgenoot in de regio werd aangevallen. De Tonkin-resolutie: Na het incident in de Golf van Tonkin (1964) gaf het Amerikaanse Congres de president de bevoegdheid om geweld te gebruiken. Internationaalrechtelijk werd dit gepresenteerd als een reactie op directe agressie, wat binnen de uitzonderingen van het geweldverbod zou vallen. Dat zou ook gelden voor de infiltraties met de collaterale agressies in Cambodja: hier was, aldus Het Witte Huis onder Lyndon B. Johnson, “Inherent Right of Selfdefense” en Neutraliteitshandhaving het eindoogmerk. Dat doel was haalbaar en daarmee waren deze inleidende acties gerechtvaardigd naar stellig volkerenrecht.
De uitbreiding van de oorlog naar Cambodja (met name de invasie in 1970 en de geheime bombardementen) was juridisch lastiger, omdat Cambodja officieel neutraal was. Hot Pursuit & Schuilplaatsen: De VS beargumenteerden dat Noord-Vietnamese troepen (Vietcong) Cambodjaans grondgebied gebruikten als basis voor aanvallen op Amerikaanse troepen in Zuid-Vietnam. Volgens de VS schond Noord-Vietnam hiermee de neutraliteit van Cambodja. Effectieve Controle: De VS stelden dat aangezien de Cambodjaanse regering niet in staat (of bereid) was om de Noord-Vietnamese aanwezigheid te stoppen, de VS het recht hadden om die “safe havens” te vernietigen uit zelfverdediging. Dit wordt vaak de doctrine van ‘unwilling or unable’ genoemd. Ik teken aan dat West-Europa daarmee geheel akkoord ging, al waren er veel protestbewegingen van onderop. Deze bewegingen leidden voor West-Europa niet tot beleidsombuigingen op regeringsniveau. Houd dat in de gaten, want de rest van de wereld is dat nog lang niet vergeten en zal dat voorshands ook niet doen. En zo kijkt die rest ook naar de acties die de USA nu uitvoeren in en boven Iran. Reeds omdat ze schijnen te behoren tot de normale bedrijfspolitiek van Het Westen, dat nooit ervan uitgegaan is dat het Charter van de VN gebaseerd is op een universeel interstatelijk geweldverbod. Er is wel een verbod. Zeker. Maar alleen als dat Het Westen uit komt. We kunnen dat ook nog aan die rest uitleggen. Maar dat dat er het zijne van denkt, dat kunnen we in Het Westen natuurlijk niet voorkomen.
3. Kritiek en de Realiteit van het VN-Charter
Veel internationale rechtsgeleerden en critici stelden destijds (en nu nog steeds) dat deze argumenten de grenzen van het VN-Handvest overschreden:
| Argument VS | Kritiekpunt van Juristen |
| Zelfverdediging (Art. 51) | Artikel 51 vereist een “gewapende aanval” door een andere staat. Critici stelden dat de oorlog in Vietnam een burgeroorlog was, geen internationale agressie. |
| Soevereiniteit | De VN heeft Zuid-Vietnam pas veel later als staat erkend. Als Vietnam juridisch één land was, kon er geen sprake zijn van collectieve zelfverdediging tegen een externe staat. |
| Proportionaliteit | Zelfs als geweld toegestaan was, waren de grootschalige bombardementen (zoals Operation Rolling Thunder) volgens velen niet proportioneel aan het militaire doel. |
