Drie maal had Petrus, de Eerste onder de Apostelen, waarachtig de Messias verloochend, ook al had Jesus hem gewaarschuwd. Maar Petrus had het glashard volgehouden en flink gelogen. Al had Jesus hem nog zo aangezegd, dat dat niet mocht. Maar Petrus had een grote smoel gehad, had Pummeltje, onze onderwijzer van de derde klasse, ons uitvoerig uiteengezet. En, zo wist meester Dekkers stellig, dat zouden alle rotjongens ook doen als ze groot waren. Meisjes deden nog weer andere zondigheden, maar daar wou Dekkers geen details over verstrekken behoudens dat ze heel erg waren. We hielden dus geen optocht, maar iedere straatganger zag ons met de palmpasen wel degelijk naar het pension tijgen. Want in je binnenzak steken kon je stokken en hoepels niet. Het zat dus met dat processieverbod ingewikkeld in elkaar, maar dat hadden de volwassenen wel vaker als hebbelijkheid. Kortom: het mocht niet, die optochten, tenminste: formeel mochten ze niet meer, maar de praktijk was een stuk weerbarstiger. Dat was echt ook wel katholiek. Er was een Openbaring, zeker, maar ook al kon je heel goed lezen zelf, die Bijbel mocht je niet even raadplegen als handleiding voor het programma. De Bijbel was voor de pastoor. Niet voor de gelovigen. Want die hadden er niet voor doorgeleerd. Ze konden alleen maar glasblazen bij Philips. Als ze tenminste de Philips Bedrijfsschool met vrucht hadden gedaan. En geen vuile communisten waren. Want die waren er veel te veel.

Dat leerden we er wel van. Roken in de kerk en een borreltje pruuven mocht ook niet, streng verboden zelfs, maar in de hoogmis deden de laatkomers het toch maar, samen gegroept onder het hoogkoor waarop het Theresiakoor hem loeiend van katoen gaf. De overheid kon wel zoveel verbieden, een Strijpenaar trok zich er ook weer niet echt veel van aan. Vanaf het midden van de 17e eeuw, toen de Meierij van ‘s-Hertogenbosch (waar Zuidoost-Brabant onder viel) definitief onder het bestuur van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kwam te staan, werd het katholicisme officieel onderdrukt. Maar iedereen beleed het openlijk, en handhaving van het verbod kwam neer op het dorsen van ledig stro.
Daar kon je ook beter niet aan beginnen. Dat was ook het teken waarin de Goede Week stond: alles was verboden, behalve wat mocht en dat was dan ook meteen verplicht. Leerzaam was dat voor de randstedeling zeer en daartoe behoorde ieder lid van het gezin-Strijards in Strijp. Het ging er eigenlijk om dat niemand het zag. De juridische werkelijkheid spoorde niet met de religieuze. Als iedereen dat nou maar begreep, dan kwamen we er wel. Tenminste: in Strijp. Na de Vrede van Münster (1648) werd immers de uitoefening van de katholieke godsdienst in het openbaar glashard bij wet verboden door de Hollanders. De wet vestigde dus onrecht. Daar moesten we ons ook wel bewust van zijn. Die overheid zag processies als een provocerende uiting van het “paapse” geloof. Dat geloof, aldus de pastoor, dat was het enig ware, maar dat mocht je niet openlijk zintuigelijk waarneembaar uitoefenen. Zo, aldus deze gezagsdrager, zat het leven nu eenmaal in elkaar en omdat Christus dat niet wou snappen werd hij gekruisigd. Het ging, laten we wel wezen, om het verbod op uiterlijk vertoon: Alles wat buiten de muren van een (schuil)kerk gebeurde, was verboden. Dit gold voor processies, het dragen van religieuze kleding op straat en dus ook voor de ommegang met palmtakken (vaak buxustakken).
Plakkaten: Er werden strenge plakkaten uitgevaardigd die boetes stelden op het houden van optochten. De Palmpasenoptocht, waarbij men zingend met versierde takken door de straten trok, viel hier direct onder. Dat moest iedereen begrijpen. Wie dat niet deed, kwam lelijk te pas. Eigen schuld. Een levensles. Aanschouwelijk gemaakt door de kunstartist Bardoel die eigenlijk ook niet deugde. Ingewikkeld was het leven wel. Dat had Jesus zo beraamd. Hij wou wel eens zien wie zich netjes richtte naar de voorschriften van de Heilige Moederkerk zoals Pastoor de Beer die duidde. Vandaar die Palmpasen. Was die volgens het reglement in elkaar gezet en was die aan een Roomse bejaarde met een kunstgebit afgegeven? Kijk, daar ging het om. Iets anders telde niet. In Strijp dan. Niet in Eindhoven. Daar waren ze doorlopend zondig en daar hielp Palmpasen niet tegen. En ook die Mattheüspasion niet. Daarom viel mijn vader ook meteen in slaap, wanneer het beginkoor somber zong hoe bedroefd we allemaal waren dat Jesus gekruisigd ging worden omwege onze zonden. We zetten ons wel met tranen neer, maar ondertussen pulkten we toch de broden haan stiekem los om een stuk van de knapperige korst te verorberen, hoezeer ook dat weer doodzondig was. Die bejaarde wiens adres we hadden gekregen van kapelaan Verhoeven merkte dat toch niet, God wel, maar dat was van latere zorg. Daar kwamen de Hollanders immers óók mee weg. Dat hadden ze altijd al gedaan. Terwijl het toch ketters waren. Moet je nagaan. Die Bijbel, die hing van rarigheden aan elkaar.
