Vijf strategieën voor USA-buitenlandbeleid

De experts in de USA-buitenlandpolitiek zijn geneigd grosso modo vijf grote strategische concepten te onderscheiden die de Federatie in tweeënhalf honderd jaar heeft weten te ontwikkelen in het buitenlandbeleid. De eerste is die neerkomt op een Pax Americana. Daarbij denkt men met weemoed aan het Britse Empire tussen 1813- en 1941 dat in zijn koloniaal areaal een Pax Britannica effectief wist te borgen. Die kwam erop neer, die gelukzalige toestand, dat een Brit in het buitenland zeker was van het feit dat hij dezelfde grondrechten en staatsburgerschapsrechten zou kunnen uitoefenen als wanneer hij in Engeland was gebleven en dat zijn Engeland op zijn grief dat dat niet kon met ieder middel te hulp zou schieten. Dat kon Whitehall alleen maar op basis van het absolute primaat van de Britse Vloot in de oceanen. Wanneer in Brit in Benkoelen op Sumatra niet zich vrij als ondernemer zou kunnen vestigen en zijn bedrijf uitoefenen, kwam een kanonneerboot tussenbeide. Nederland moest het tandenknarsend aanzien, maar het gebeurde. Deze strategie voor het buitenlandbeleid heeft de USA bijna nooit kunnen afdwingen: daar waren na 1885 de geopolitieke verhoudingen niet meer naar want dat veronderstelde militaire wereldbeheersing. Die heeft Washington nooit gehad. Daarom ontwikkelde Washington het tegendeel ervan: het isolationisme, dat we ook wel kennen als de Monroedoctrine en die soms herleeft in de tijd dat Trump ongeremd nog zijn gang kan gaan als Donroedoctrine. Amerika voor de Amerikanen en waar dat lag, dat maakte Washington zelf wel uit. Het bleek zelfs op de Filipijnen te liggen in de twintigste eeuw. Op Cuba ook. En in de Panama-zone. En misschien nu wel in de Straat van Hormuz.

Dat veronderstelt dominante militaire en economische macht en kost veel inspanning, vooral als men gelijktijdig wil ontkennen dat men koloniseert. Het gebeurt altijd unilateraal. Washington laat dan niet toe dat andere staten of machtsblokken beoordelen of Washington niet te ver gaat. Het is de theorie van de “flexible response” die Washington officieel is gaan aanhangen sedert de Cubacrisis. Het liet blijken dat het de nucleaire knop zou kunnen aanwenden in alle gevallen, ook bij een niet-localiseerbaar conflict. Of het zou kiezen voor dergelijke “massive retaliation” zou het zelf uitmaken. Dat kon het doen zolang anderen niet tot dergelijke vergeldingen in staat waren. Hoe die vergelding zou geschieden kon geen onderdeel zijn van een verdragsregeling en viel dus ook buiten het NAVO-pact.

De derde strategie is die van de selectieve allianties gericht op het openhouden van handelsroutes, open-deur-politiek, vrijheid van meestbegunstigingsverhoudingen (“wat ik mij veroorloof, mag jij ook”), de toegankelijkheid van grondstoffen alles ten behoeve van het koophandelsverkeer met de USA. Daarbij houdt de USA de mogelijkheid van militaire geweldpleging bij gevaarzetting voor deze belangen open. Maar het gaat nooit om idealen of rechtsprincipes.

De vierde strategie is die van het scheppen van een verdragsfamilie gericht op gemeenschappelijke veiligheid waarbij de verdragspartijen samenwerken om deze veiligheid te borgen, óók met militaire middelen, waarbij de USA de directie heeft. Men kan spreken van coöperatieve veiligheid. Maar de partijen gaan wel degelijk inspanningsverplichtingen aan. Ze richten zich daarbij naar de richtlijnen van Washington, maar schieten ze te kort, dan treedt Washington plaatsvervangend op. Washington is trustee van deze familie, zaakwaarnemer en boedelberedderaar. Washington mag de deelgerechtigden aanspreken op wanprestatie, maar echt veel sanctiemodaliteiten zijn er niet: de basis van de samenwerking is die van het vertrouwensbeginsel –wederkerig vermoeden dat iedereen zijn best zal doen, naargelang van de omstandigheden– en het principe van de interne soevereiniteit: Washington zal geen eisen stellen die de staatszelfstandigheid aantasten. Alles blijft een kwestie van vrijwilligheid. Dus moeten de partijen delen in bepaalde rechtsnormen die ze identiek definiëren en toepassen, zoals democratie en evenredigheid van vertegenwoordiging bij de besluitvorming, rechtsstatelijkheid, zelfbestemming en grondrechtsgaranties. Het zijn waarden die indefinienda zijn: ze worden voorondersteld als gemeenschappelijk erfgoed, maar uitspellen ervan is beter na te laten, want daarvan komt wellicht ruzie. Zo begon de NAVO.

De vijfde strategie gaat het verst: die is gericht op het borgen van een geopolitiek areaal waarbinnen deze waarden, die vooral voor koophandelsdoeleinden lijken te zijn gemunt, worden uitgeoefend en waartoe collectieve veiligheid effectief kan worden geborgd door militaire verplichtingen van daarop geselecteerde staten, waarmee de USA geen enkele inculturatie gemeen hoeft te hebben. De militaire verplichtingen zijn dan verdragstechnisch uitgespeld en de voorwaarden waaronder ze gelden ook. Deze vooronderstellen dat de verdragsfamilie die deze plichten delen zich voorziet van instituties die beoordelen of deze voorwaarden zich voorzien en of de staten de verdragsplichten tijdig en regelmatig nakomen. De familie mag verwachten dat de verdragspartijen militaire contingenten en middelen daartoe inzet. De Volkenbond en de VN zijn van deze supranationale collectie veiligheidsorganisaties voorbeelden. De USA placht ze te bedenken en ook weer te verlaten of te niet te doen. Meestal tot nadeel van zichzelf, want daarna moest de USA toch weer terugvallen juist op volkomen voorzienbare aanmerkelijke militaire inspanningen die ze juist door de verlating of tenietdoening had trachten te vermijden. De belangen zijn altijd stoffelijk tot economische grootheden herleidbaar, al heten ze vaak democratisch, humanitair, rechtsstatelijk, fundamenteel-mensenrechtelijk.