De Wijkersloot V

Sedert de vijftiger jaren van de vorige eeuw trachtte het departement van Justitie meer greep te krijgen op het Openbaar Ministerie en zijn vervolgingsbeleid omdat de samenleving economisch een buitengewoon hoge vlucht nam en daarbij zich steeds vaker bediende van rechtspersonen die frauderen en valsheid in koophandelsbescheiden bleken te verheffen tot een bestendige bedrijfspraktijk waarvan eigenlijk niemand opkeek. Daarvan begonnen de pathologische symptomen in de tachtiger jaren internationaal manifest te worden. Des te schrijnender omdat daarbij ook nog eens overheidsubsidies en fiscale privileges verleend krachtens zogeheten “rulings” met de rijksbelastingdienst werden gebezigd door de concerndirecties die daarbij ook nog eens aan forumshopping bleken te doen: het opzoeken van de staten wier belastingklimaat zodanig was ingericht dat de betrokken rechtspersoon daar, ook in geval van vervolging, de meest gunstige afdoeningsregelingen kon tegemoet zien. Dat was al in margine  gebleken in het kader van de parlementaire enquête naar de zogeheten RSV-affaire, waarbij de Tweede Kamerleden die dat onderzoek leidden werden geconfronteerd met directieleden die schromelijk misbruik bleken te hebben gemaakt en van deze subsidies, deze regelingen en dat forumshoppen. Beide fenomenen troffen samen bij de samengestelde vervolging van de concerndirectie van de Slavenburgs bankvennootschap  te Rotterdam en met  filialen in het buitenland. In deze dagen was strafrechtelijk de maakbaarheid van de samenleving een socialistisch dogma dat ook toepasselijk bleek op het vervolgingsbeleid waarbij de veronderstelling werd dat het strafrecht instrumenteel gebezigd moest worden om deze maakbaarheid te borgen en verder tot in finesses gestalte te geven via een uitgekiend reactief sanctiestelsel.

Het strafrecht was een van de instrumenten daarbij, maar het bestuursrecht dat andere sanctiemodaliteiten kende evenzeer. Het bleek dat het Openbaar Ministerie in deze economische sector van alle veroorlovende marges die het opportuniteitsbeginsel impliceerde ruimhartig gebruik maakte en dat het wel heel ernstig moest zijn wilde dat Openbaar Ministerie inderdaad effectief via een vervolging interveniëren. Dat was iets uitzonderlijks. Bij de praktijken die binnen de sfeer van Slavenburgs bank gangbaar waren bleek dat dat Openbaar Ministerie vaak heel goed wist dat er in verregaande mate gesjoemeld werd door het bancaire personeel en dat de bank een van de grotere mondiale helers bleek te zijn van zwart geld.  De directie wist dat het Openbaar Ministerie wist van deze helingen — want witwassingen komen daarop neer — en dat het wel waarschuwde, maar toch niet ingreep. Omdat het ook ergens best wel goed was voor de doorontwikkeling van onze nationale economie. Het was zelfs, zij het verholen, te lezen in het jaarverslag dat de bank uitgaf. „De snelle groei die Slavenburgs Bank in de jaren zeventig heeft doorgemaakt, heeft tot tekortkomingen in de organisatie geleid. Het management liep achter bij de ontwikkelingen, waardoor de controle te informeel en te los werd. Daardoor is er hier en daar wat uit de rails gelopen”. Met dit versluierend taalgebruik trachtte president-commissaris W. Pluygers in juni ’83 de aandeelhouders van Slavenburg’s Bank gerust te stellen. In feite gaf hij toe dat de top van de bank de groei niet had bij kunnen benen en er sprake was van mismanagement. De aandeelhouders hadden alle reden tot ongerustheid.

Op 18 februari van dat jaar hadden de politie en de FIOD in opdracht van het Rotterdamse Openbaar Ministerie een inval gedaan in het hoofdkantoor van de bank in Rotterdam en de filialen in Rotterdam, Den Haag en Dordrecht. Bij leidinggevende functionarissen van de bank werd eveneens huiszoeking verricht. De reden voor het justitiële optreden was het vermoeden dat er bij Slavenburg’s Bank een omvangrijk zwart-geldcircuit bestond. In de loop van het onderzoek werden 21 bankmedewerkers gearresteerd. De lagere functionarissen werden ontslagen van rechtsvervolging, omdat hun aandeel in de zwart-geldpraktijken te gering was. Zes directeuren ontkwamen aan vervolging door met Justitie een schikking te treffen. Dat wil zeggen dat zij een boete betaalden en zich daardoor niet voor de rechter hoefden te verantwoorden. De president-directeur, mr. Piet Slavenburg, werd ten principale vrijgesproken van het leiding geven aan valsheid in geschrifte bij vonnis gewezen door de Rotterdamse rechtbank. “Officier van Justitie mr. H. den Doelder, die een jaar cel had geëist, is tegen dit vonnis in beroep gegaan.”  Aldus een enigmatische mededeling in een van de belangrijkere landelijke periodieken die zich toch afvroeg of daarbij het Nederlands prestige geen gevaar liep. Als suggestie. Om eens te overwegen. Niet als aantijging.