De Wijkerslooth VI en de vervolging van banken

Als het Openbaar Ministerie jaren lang op de hoogte is van het feit dat bedrijfsmatig misdrijven worden begaan door een concern zoals witwassen of vergelijkbare heling, fraude en valsheid in koophandelsbescheiden en contracten voorzien van geheime site letters die waarborgen ondermijnen die in de contractteksten met klanten of potentiële afnemers met wie nog voortgezet onderhandeld wordt wel staan of voorondersteld worden, dan kan dat de vervolging ten laste van de directie ernstig bemoeilijken. Want meestal weet die directie wel dat het Openbaar Ministerie die informatie heeft. En het doet niets, het laat een onrechtmatige toestand stomweg voortbestaan. Dan kan een directeur, bijvoorbeeld bij Slavenburgs Bank, veronderstellen dat uiteindelijk deze opstellingen zijdens de directie, de Raad van Toezicht of Commissarissen juridisch door de beugel kunnen: het Openbaar Ministerie laat immers in dat opzicht doorschemeren dat de wederrechtelijkheid niet zodanig is dat onmiddellijk preventief of pre-emptief moet worden ingegrepen. De Wet op de Economische Delicten, een belangrijke instrumentele ordeningswet uit deze periode dat de welvaart in Nederland aanmerkelijk steeg om niet te zeggen explodeerde, geeft immers aan dat Openbaar Ministerie een ruim scala mogelijkheden om zulks te doen: onmiddellijke stillegging van het bedrijf, een vordering de vennootschap te ontbinden of te verbieden, inbeslagnemingen van de middelen waarmee de wederrechtelijkheid wordt begaan of voortgezet, dat is via die wet, afgekort als WED, allemaal mogelijk en dat placht dat Openbaar Ministerie ook zondermeer voortvarend te doen ten laste van het midden- en kleinbedrijf in deze periode.

De toeleveranciers vaak van de deposito’s of de middelen waarmee misdrijven werden voortgezet of begunstigd, te voren – – in de voorbereidingsfases – – of daarna, dus na voltooiing van het criminele voornemen. Dat was tijdens de RSV-enquëte ook treffend gebleken. Ik refereerde er al aan. Dat er subsidies verduisterd werden en dat die op de balansen werden weggeboekt onder “diversen” kwam in de individuele verhoren van de witte boorden-criminelen  uitvoerig aan de orde. Marcel van Dam zat dan triomfantelijk flink door te vragen in het belang van de Dageraad der Volksbevrijding zoals men destijds, “De Internationale” uitbulkend op 1 mei, de Dag van de Arbeid placht te doen. Bij de directies veroorzaakten deze opstellingen van het Openbaar Ministerie verschoonbare rechtsdwaling: die directies mochten erop vertrouwen dat hun bedrijfspolitiek niet strafbaar was. Want het Openbaar Ministerie dééd er opzettelijk niks aan. Het gedoogde.  Dat zou het toch niet doen, zei de advocaat van de verdachte dan, als het hier om een strafwaardig misdrijf ging?  De Hoge Raad had dergelijke beroepen op deze schulduitsluitingsgronden ook royaal gehonoreerd. Als het Openbaar Ministerie niet deed blijken dat het tot bedrijfs-stillegging zou overgaan mocht de procuratiehouder aannemen dat er uiteindelijk niets aan de hand was. De ontwerper van de WED, de zo geduchte Albert Mulder, secretaris-generaal van het departement van Justitie, had ook steeds benadrukt dat het Openbaar Ministerie de positionering had gekregen van een gedeconcentreerde buitendienst van dat ministerie. Het was gebonden aan de algemene beginselen van goed bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, volgens welk beginsel ook nalatigheden (om te handhaven) verontschuldigend konden werken. Als het Openbaar Ministerie desbewust, wel geïnformeerd, een verboden toestand gedoogde, dan kon dat zulk een verschoonbare rechtsdwaling tot gevolg hebben bij de vervolgde. Hetzij als individu hetzij als orgaan van de rechtspersoon om wier bedrijfspolitiek het ging. Dat speelde bij de strafrechtelijke aansprakelijkheid van Slavenburgs Bank dus een rol en dat kon aanleiding zijn om in dat opzicht de niet-vervolging te hertalen als een impliciet toezegging dat in aanleidende aangelegenheden buitenvervolgingstellingen rechtens subjectieve immuniteitsrechten deden ontstaan.

Dat was in Rotterdam sedert de beruchte Pincoffs-affaire als vanzelfsprekend aangenomen: de enorme wisselruiterij, kredietzwendel via waardepapieren uitgeschreven ten laste van de Rotterdamsche Handelsvereeniging ten bate van de bankroete Afrikaansche  Handelsvereeniging. Dat vuiltje speelde in de tachtiger jaren van de negentiende eeuw en veroorzaakte een immense kredietcrisis. In de twintiger jaren van de twintigste eeuwen werd dat nog eens herhaald met betrekking tot de ROBAVER, de Rotterdamsche Bank Vereeniging, zelfs met van staatswege afgegeven kredietgaranties van de anders zo spijkerharde Hendrikus Colijn, Minister van Financiën in het derde kabinet Ruys de Beerenbrouck. Dat kwam bij de vervolging van Slavenburgs Bank ook nog eens fijntjes aan de orde en verried dat de seponeringen die tevoren het vertrouwen hadden gewekt dat er niets aan de hand was rechtsstatelijk de toets van de kritiek niet konden doorstaan. Het zou dus tijd worden dat sepotbeleid uitdrukkelijk te verheffen tot ee n thema waarvoor de Minister van Justitie onvoorwaardelijk iedere politieke verantwoordelijkheid zou moeten aanvaarden die de volksvertegenwoordiging aangewezen achtte. En dat was iets waar De Wijkerslooth zich vermoedelijk niet in volle omvang bewust was. Hij zou in de schijnwerpers van de genadeloze mainstream media komen. Daar kon de Wijckerslooth maar niet mee om gaan. Dat zou blijken in de zaak tegen de marinier Eric O. En daar liep De Wijckerslooth onherstelbare schade op. In Zembla. Een berucht programma. Dat daar een sport van maakte.