De Wijckerslooth XII en Maarten van Traa

De Commissie van Traa

De reeds genoemde commissie-Wieringa was snel en snoeihard van een eindrapport bevallen waarin de Amsterdamse politietop beschuldigd werd van verregaande corruptie.  Commotie. Hoofdcommissris Nordholt van Amsterdam was niet van de buis te branden. In uniform met het vruchtenslaatje van onderscheidingslintjes fier op de linkerborstpatij. Die Wieringa was partijdig en haatte dienders. Dat was hier aan de hand, aldus Nordholt.  In 1994 was deze Wierenga voorzitter geworden van de commissie die onderzoek deed naar de opheffing van het interregionaal rechercheteam (IRT) Noord-Holland/Utrecht. De Amsterdamse politietop had om opheffing van dat team gevraagd omdat het ongeoorloofde opsporingsmethoden zou gebruiken. Welke dat waren en hoe die politie dat had kunnen vaststellen bleef vooralsnog onduidelijk. Dit team, aldus de Amsterdamse politietop, had omstreden deals gemaakt met criminelen om drugsnetwerken te ontrafelen. Het IRT was daarom alvast maar ontbonden. Volgens het eindrapport-Wierenga  evenwel was het IRT volkomen ten onrechte opgeheven. Wiering gold als een van buitenkomende sociaal-democratische bestuurder die nooit deel had uitgemaakt van de elkaar dwarszittende politiële en strafvorderlijke instanties die steeds weer eigenstandige opsporingsbevoegheden ontwikkelden om handel in Zuid-Amerikaanse drugs te bestrijden en die daar dus ook geacht kon worden redelijk neutraal erin te staan.

Twee jaar later werd in de IRT-enquête echter duidelijk dat grote hoeveelheden harddrugs door de Amsterdamse politie en justitie waren doorgelaten.De Amsterdamse politie stelde de IRT-ers in gebreke en deze politiemensen werden aangewezen als de instantie die massa’s aan onversneden Columbiaanse cocaïne had doen achteroverdrukken. En er werden namen genoemd van opperofficieren en door hen gecorrumpeerde leden van het Openbaar Ministerie te Haarlem. Waaronder de Arrondissementsofficier eerste klasse Onno van der Veen, die veel en veel te veel aan de Haarlemse politie had overgelaten in de rechercheafdelingen waaronder Klaas Langendoen. Het baarde geredelijk opzien, deze conclusie, en voorlopig werden disciplinaire maatregelen genomen. Waaronder overplaatsing, schorsing en ter beschikkingstelling van de beklede functies. Van der Veen werd tijdelijk geparkeerd bij de directie Onderzoek en Ontwikkeling van het gloednieuwe Parket-Generaal in oprichting te Den Haag, Afdeling Buitenland, waar ik ook later in 2000 zou aantreden als raadadviseur in buitengewone dienst voor internationale en volkerenrechtelijke vraagstukken ten verzoeke van de nieuwe Super-Procureur-Generaal Joan de Wijckerslooth de Weerdensteijn die de inmiddels ontslagen zittend super-procureur-generaal Docters van Leeuwen moest gaan vervangen die weer het veld had moeten ruimen in een hevig personeelsconflict over de positie van de procureur-generaal Dato Steenhuis die belangenverstrengeling kon worden verweten in een affaire-Lancee, waarover hier onder uitvoerig nader. Inmiddels was de wijziging van de Wet op de Rechterlijke Organisatie als wet in werking getreden en bestond het Parket-Generaal als romporganisatie rondom het College van Procureurs-Generaal formeel staatsrechtelijk als “top van het Openbaar Ministerie”. Het kon zijn bevoegdheden gaan uitoefenen, maar in de flakkerende gebeurtenissen en personeelswisselingen duurde die opstart wel even, vooral omdat nieuwe reorganisaties bepaald niet werden uitgesloten. Onzekerheid alom. De Commissie van Traa was inmiddels gekomen tot de bevinding dat de gebezigde opsporingsmethodes van het IRT wettelijk volledig uitgebannen moesten worden door inlassen in het Wetboek van Strafvordering van 1927. En dat zou nog veel tijd kosten. En ook veel rechtsonzekerheid genereren. De resultaten van de commissie-Wiereringa werden gedesavoueerd. En ook dat veroorzaakte veel commotie en emotie, ook in het bruggebouw van het Parket-Generaal over de Utrechtse Baan. Daar kon geen raam open, wegens de benzinedampen en diezelgassen, van het daaronder steeds vastzittende verkeer. Het was omineus. Het veroorzaakte een bedompte ziekmakende sfeer. Exogeen en endogeen.

Opdracht

De enquêtecommissie had de opdracht onderzoek te doen naar:

  • de aard, ernst en omvang van de zware, georganiseerde criminaliteit;
  • de feitelijke toepassing, de rechtmatigheid, het verantwoord zijn en de effectiviteit van de opsporingsmethoden;
  • de organisatie, het functioneren van en de controle op de opsporing.

Leden van de enquêtecommissie

De commissie werd verder ondersteund door: Erwin Muller, secretaris, Nicolle Coenen, griffier, Ybo Buruma, lid. Deze enquêtecommissie-opsporingsmethoden heeft gedurende meer dan een jaar een zeer uitgebreid onderzoek gehouden waarbij honderden personen zijn geïnterviewd, en uiteindelijk 88 personen in het openbaar zijn gehoord. Daarnaast zijn duizenden documenten verzameld en diverse deelonderzoeken, onder andere door de wetenschappelijke onderzoeksgroep Fijnaut uitgevoerd. Reputaties aan flarden. De procureur-generaal de Graaf van Randwijck werd alvast op wachtgeld gesteld.

Rapport

De enquêtecommissie bracht op 1 februari 1996 haar rapport aan de Tweede Kamer uit. Het rapport – dat 5500 pagina’s beslaat – wordt vergezeld van in totaal 11 bijlagen waarin onder andere alle verhoren en deelonderzoeken zijn opgenomen. De voornaamste conclusie van de enquête was dat er sprake was van een crisis in de opsporing. Deze crisis kende drie elementen:

  • Ontbrekende normen. De commissie constateerde dat er een gebrek was aan een adequate normstelling voor het optreden van politie en justitie tegen de georganiseerde criminaliteit. Er werd door de wetgever, maar ook door de rechter naar het oordeel van de commissie te veel ruimte gelaten voor politie en justitie.
  • Een niet goed functionerende organisatie van de opsporing als gevolg van onduidelijke besluitvorming over wie nu waarvoor verantwoordelijk was. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van betrokkenen bij de opsporing in Nederland waren diffuus volgens de commissie.
  • Problemen in de gezagsverhoudingen. Hoewel expliciet is geregeld dat het Openbaar Ministerie het gezag over de opsporing heeft bleek dit in de praktijk van de opsporing nog niet vanzelfsprekend. Eigenlijk was het de politie die het onderzoeksthema definieerde in ingewikkeldere strafzaken, op afstand gevolgd door de verantwoordelijke officier van justitie die in alle opzichten op informatie-afstand bleef staan van de rechercherende politiemensen en hun experts. Daarnaast was de commissie van mening dat de commissie-Wierenga de schuld voor de ophef rond het ontbinden van het IRT ten onrechte op basis van vooringenomenheid bij de Amsterdamse politie had gelegd. Het rapport is van een bijzonder grote invloed geweest op de organisatie van de opsporing in Nederland. Ook is het de basis geweest voor veel wijzigingen in het Nederlands Wetboek van Strafvordering zoals de uitputtende omschrijving van de zogenoemde Bijzondere opsporingsbevoegdheden die via de Wet BOB werden geïntroduceerd. Er mocht voortaan weinig meer, als het aan Van Traa en de zijnen lag en zeker geen deals meer met criminelen. Maar aan dat standpunt werd maar zeer gebrekkig de hand gehouden in de praktijk. Terwijl de ons omringende staten dergelijke opsporingsmethoden gewoon bleven hanteren. Dat frustreerde de onderlinge internationale rechtshulpverhoudingen aanmerkelijk. Het buitenland ervoer steeds weer dat de Nederlanders niet wilden meewerken aan opsporingsmethodes waar dat buitenland geen enkel bezwaar placht te hebben. Het gaf scheve gezichten en asymmetrische verhoudingen in het kader van de Europese Unie.

Limburgse IRT-affaire

Na het verschijnen van het rapport kwamen er in 1996 ook aanwijzingen aan het licht dat tevens in een andere regio dubieuze opsporingmethoden waren gehanteerd, die buiten het onderwerp van dit onderzoek waren gebleven. In dit verband werd er gesproken over een zogeheten Limburgse IRT-affaire, die los zou staan van wat inmiddels bekend was geworden als “de” IRT-affaire.

Kroongetuigen

Reeds op 25 januari 1994 kwam minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin in de Tweede Kamer met een voorstel voor een regeling voor kroongetuigen, als alternatief voor het werken met burgerinfiltranten, een strategie die in deze affaire ongewenste effecten zou hebben gehad.