De Wijckerslooth XVII

Zo’n super-procureur-generaal leek dan wel heel wat, die kwam op de televisie maar steeds even vertellen wat het beleid was van het Openbaar Ministerie en die sprak maar voortdurend af met de Minister,  hoe er strafvorderlijk rechtshandhavend zou worden opgetreden, maar daar dacht de gemiddelde Officier van Justitie toch wel eventjes heel anders over. Want die Officier, die was dan toch maar de dominus litis: de heerser van het strafrechtelijk geding, zoals dat technisch heette. En die Officier was dus de centrale strafvorderlijke autoriteit en bepaalde het thema van het onderzoek ter terechtzitting. Via de inrichting van de tenlastelegging. Daaraan was de strafrechter gebonden: de tenlastelegging is tiranniek voor dat thema. Daarbuiten mocht de strafrechter niet kijken en geen feitelijke waarheidsvinding doen. Zo zat het stelsel van de Nederlandse strafvordering toch maar in elkaar. Deze bevoegdheid was met dat ambt van Officier van Justitie gegeven. Aan geen andere ambtelijke autoriteit. En nu kon de wet op de rechterlijke organisatie het wel hebben over aanwijzingen vanwege de Minister te geven bij de ontwikkeling van het vervolgingsbeleid, dat beleid werd toch maar eventjes  alleen maar bepaald door die Officier als opsporingsautoriteit bij uitstek. De strekking van het opportuniteitsbeginsel was ook opgegeven bij het Wetboek van Strafvordering en niet in de wet op de rechterlijke organisatie. Die repte niet van dat principe en droeg de toepassing ervan weer bij uitstek op aan de Officier van Justitie. Die zich daaromtrent niets hoefde te laten gezeggen. Willde die jonkheer de Wijckerslooth dáár wel eventjes rekening mee houden?

Wat wist die er als buitenstaander van? En wat dacht deze jonkheer in dit opzicht eigenlijk voor gezag te usurperen? Omdat de grote politiek dat zo graag wilde? Dat verdomde Den Haag met zijn vuile streken waar een integer mens onpasselijk van werd? Dat werd een nauwelijks verholen opstelling van menige Officier die overigens uit loopbaanoverwegen dat die jonkheer niet rechtstreeks in het gezicht smeet. Daar keek een Officier natuurlijk wel voor uit. Maar dat werd wel besproken bij de talloze vergaderingen die gepland werden in dat bruggebouw waarin het Parket-Generaal gehuisvest was. Niet in de vergaderingen zelf als agendapunt.  Maar tevoren, bij het ophangen van de jassen aan de talloze kapstokken over de drie verdiepingen van dat kantoor en vooral nadien, mompelend, bij het scheiden van de markt, of nog luidruchtiger in één van de talloze café’s aan de Theresiastraat waaraan de uitgang van dat Parket-Generaal belendde en waar veel emoties bij bier, witte wijn en bitterballen loskwamen tot dat de laatste trein naar huis, in de provincies ging. Ik zat er stilletjes bij. Luistervinkje te spelen en stiekem notulerend, totdat ik ook werd getraceerd als een van die verdomde fretten die de jonkheer losliet in de konijnenholen van eerzame magistraten. Die verdomde intellectueel die die de Wijckerslooth soms uitzond om een eerlijk Officier op de vingers te kijken en zulks onder de pretentie van een of andere schimmige expertise. Een vuile spion, dus. Zo’n gluiperd van de directie Ontwikkeling & Onderzoek. Die er steeds weer bijzat alsof hij niet goed wijs was. Maar ondertussen!

Terwijl die jonkheer echt nooit met zijn poten in de klei had gestaan zoals de Officier die goede maatjes was met de politiemensen. Zo bleek gaandeweg dat de jonkheer wel kon trachten op te treden als een strafvorderljke veldmaarschalk van het Oberkommando der Wehrmacht zonder ooit troepencommandeur te zijn geweest  zoals destijds ooit Wilhelm Keitel, aan wie iedereen dan ook in het veld zwaar de pest had, veldmaarschalksstaf of niet.  Maar de kolonels en de generaals in de regimenten en divisies aan de Oostfront hadden aan deze Lakeitel — deze lakei van Hiltler — maling dat het hoestte. Iedereen wist het. Behalve die Keitel. En als de jonkheer Keitel was dan was ik uiteraard niet veel meer dan de chef operatiën Halder met zijn lorgnet of nog erger, maar veel en veel juister, Martin Bormann, de kabinetssecretaris van de Führer die gold als de matennaaier bij uitmuntendheid. En daar liet men mij dan ook wel achter komen. Door mij vanzelfsprekend te ignoreren dan wel links of rechts te passeren in het zicht der eindoverwinning.

Joan had dat allemaal niet echt te de gaten, overtuigd als hij was van zijn goede intenties, zijn begrip van rechtsstatelijkheid, zijn oriëntatie voor de politieke gevoeligheden en de juiste contactpunten bij Algemene Zaken en Justitie en soms zelfs bij Binnenlandse Zaken, het toppunt van verraderlijkheid en arglistige bureaucratie. Want daar dachten de ambtenaren bij circulaires te kunnen regeren over burgemeesters, gemeenteraden en politiechefs, maar zo zaten ze bij Justitie niet in het spel. De zaak Eric O. toonde overtuigend aan hoezeer de jonkheer achter de feiten aanliep en niet wist hoe de hazen liepen. En dus ook hoe verkeerd deze benoeming was geweest. Op deze toppositie waar hij de nijvere Officieren alleen maar hinderde en soms de tanden door de lip deed vallen. En natuurlijk hun loopbaanperspectieven verpestte. Eigenlijk kon zo’n jonkheer niets. Die moest wegwezen. Hoe eerder hoe beter. Dat bedacht ik andermaal toen ik alle fraaie rouwbeklag las die in de Nieuwe Rotterdamsche Courant was opgetast op de pagina’s familieberichten waarmee ik deze serie Blogs begon gewijd aan de onsterfelijke ziel van Jonkheer de Wijckerslooth. Niet dat Joan zelf dat zielsmoment erkende. Hij was en bleef agnost. Ook toen er geen leven na zijn dood bleek.