De Stichting Arcadisch Madestein mikt op een toeristische beurtvaartroute met platbodems die vanuit het Groene Hart van Zuid-Holland het middeleeuwse poldercentrum van Rotterdam kan aannaderen vanuit Delft naar Rotterdam en omgekeerd. De Abten van Egmond kregen van de graven van Holland hier gronden toegescheiden die moesten fungeren als tussenstations van het immense interregionale bedijkingsproject vanaf Egmond naar de Schie-dam, vandaar naar de Rotte-Dam en vandaar weer naar de verhevenheid in het woudrijke landschap die destijds als bekend stond als de Berg van Hillegonda of Hillegardis. Met deze laatste doelde men op de Heilige Benedictijner Abdis Hildegard von Bingen aan wie thans de neogotische kerk in Rotterdam Noord is toegewijd, ook bekend als de Hillegardiskerk. De Delf was een kunstmatige waterweg, aangelegd voor de transporten van grotere stukken bedijkingsmateriaal zoals de gevlochten riettenen matten waarop de dijklichamen moesten komen te rusten naar de overtoom bij de Schie, thans bekend als Over-Schie, een buitengewoon pittoresk dorp onder de rook van Rotterdam met een fraaie protestantse kerk met een karakteristieke robuuste toren die men op de aanvaart van verre kan zien liggen. De Abt van Egmond was nu heel erg ver weggeraakt met de daggeldende poldergasten van het oorspronkelijk kloosterterrein bij Egmond. De canoniekrechtelijke enclave waar alleen de regels golden die de Abt had goedgekeurd, meestal ontleend aan het Romeinse recht voor bezette gebieden. Hier, tussen Delfland en Schieland moesten de dijkers een buitengewoon moeizaam dijkparktraject afleggen omdat hier veel hellingen te nemen waren oostwaarts. De dijklichamen moesten met het oog daarop zwaarder verzonken worden in het omringende landschap van kunstmatige houtopstanden. Daartoe legde de Abt een aantal hoeves aan aan beide zijden van de Delf, die over ging na de laatste gradiënt oostwaarts in De Schie, die al door de Romeinen was gegraven, al wisten de middeleeuwers niets van die voorgeschiedenis. Aan beide zijden, schrijft de gewijde kloosteradministrator-econoom, kwamen negen tot tien voorraadschuren met omringende erven voor de verlading van de materialen die in de openbare lucht konden worden gestapeld en verder met huiden afgedekt.

Deze hoeven waren weer samen een immuniteitsgenietende enclave die naar de Delf, die transportader, werd genaamd waarmee niet de stad, maar de watergang werd bedoeld. De Delf, gegraven in de middeleeuwen stond haaks op De Schie, die volledig Noord/Zuidwaarts liep met het oog op de bevoorrading van de wachtposten aan de noordelijke limes (grens) gevormd door de Rijn, die nu daar Oude Rijn wordt genoemd en die Leiden in tweeën splitst. Deze aanduiding vindt men in het Algemeen Abdij-Archief van Egmond sedert de veertiende eeuw. De hele locatie van schuren, logiesruimten, erven, stapelplaatsen en hoeven kreeg de status van een exterritorialiteit beheerd door genoemde Abt, die daar exclusief het canonieke recht deed gelden voor de koophandelstransacties, de fiscaliteiten van de handelingen die winsten inbrachten en de pachten en onderverpachtingen aan de daggelders die er langere tijd verbleven. Deze locatie werd dientengevolge bekend als het ambacht Abtsrecht. Deze bestond uit drie rechthoekige stroken grond twee westelijk van de Schie onder Popswoude – Het Woud van de Paap of Abt – en één aan de oostkant van die waterscheiding. Deze streek wordt later Papsou genoemd, als men eigenlijk iedere herinnering aan de Egmondse Abt heeft verloren. Het Abtswoudse Bos is een aangelegd bos in de provincie Zuid-Holland, dat rond 2000 werd opengesteld. Het is ongeveer 190 ha groot en kan het best worden omschreven als een project landschapskunst. Het behoort tot het Recreatieschap Midden-Delfland en ligt tegen Delft aan, tegen de wijk Tanthof, ten oosten van Schipluiden en ten noorden van Kethel. Het is in poldergebied aangelegd, in de Lage Abtwoudsche polder.
Voorheen was het weideland. Bij het aanleggen van het bos werden waterpartijen uitgegraven, bomen en struiken geplant en wandel- en fietspaden aangelegd. Er ontstond zo een verscheidenheid in waterplantenbegroeiing van rietkragen, onderwaterplanten en drijfbladplanten. Tijdens werkzaamheden in 2020 werd voor het eerst groot onderhoud aan het gebied gepleegd, waarbij een aanzienlijk aantal bomen werd gekapt. Moeder Aarde is een kunstobject, dat centraal in het bos ligt en uit een kunstmatige heuvel van ongeveer 200 m breed, 170 m lang en 5 m hoog bestaat. Het ligt er in de vorm van een vrouwenlichaam met haar hoofd naar het zuidwesten, maar is alleen vanuit de lucht goed te herkennen. Rond deze heuvel staan in cirkelvormige rijen essen geplant. De vijver in de buik van Moeder Aarde is het middelpunt van de cirkels, op de armen en benen staan er struiken met bessen en de knieën, handen en voeten blijven open weide. De voetpaden op de heuvel verbeelden de aders. Het gebied gaat naar het oosten door, maar ligt niet aaneengesloten tegen het Abtswoudse Bos. De spoorlijn Den Haag – Delft – Rotterdam ligt ertussen. Het oostelijk deel heet Abtswoudsebos Oost. Abtswoude ten westen en een Delfts sportpark in het noordoosten liggen tegen het bos aan. Het bos is met het openbaar vervoer te bereiken met tramlijn 1 van de HTM en buslijn 64 van EBS. Hun eindstation is het Abtswoudsepark, dat in Tanthof ligt. De Stichting neemt deze Tanthof op in de beurtvaart als afstapplaats voor een korte wandeling naar een heuveling waar deze situatie goed in ogenschouw kan worden genomen en waarbij tevens de polderingontginningen sedert de middeleeuwen tussen Schipluiden en Kethel worden uiteengezet via een handzaam kaartje. Men ziet de Egmonder paters hun driehoeksmetingen voortzetten in oostelijke richting, hun confraters uit Utrecht tegemoet, naar de wederzijdse ontmoetingen op de dam over de Rotte, de stinkende wetering wier planten steeds weer door de getijden aan het rotten slaan. Het Egmonderkloosterarchief geeft de hoevenlocatie nauwkeurig weer en de doelstellingen van de overslag-enclaves.
