Gevolgen rechtspraktijk

De borgende betekenis van het territorialiteitsbeginsel nam deswege sedert 1950 alleen maar toe. Dan gaat het vooral om de positieve en negatieve werkingen van het rechtsnormatieve beginsel van artikel 2 van het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht. Positief: de vervolgde — om hem gaat het in Nederland doorgaans — mag verwachten dat hij alleen te maken krijgt met Nederlands strafrecht en strafvorderlijke afdoening in Nederland zodra een redelijke verdenking van enig strafbaar feit is ontstaan. En negatief: Nederland zal daarbij alleen maar vreemd strafrecht toepassen of die toepassing toelaten als daarvoor een wettelijke grondslag bestaat, waarin Nederland gemachtigd is buitenlands recht mede toe te passen binnen de territoriale rechtssfeer.  Het gaat om rechtsbescherming tegen buitenlandse invloeden in het merkwaartdig domein van de leges perfectae, de perfecte wetten of grond- dan wel hoeksteen-wetten waarbij de staat zelf rechtstreeks via strafbedreiging de handhaving van gedragsnormen in het publieke domein aan zich trekt. Ik verwijs weer naar de Gutachten bij de wetsontwerpen die leidden tot het tot standkomen van het Reichsstrafgesetzbuch van Duitsland sedert 1871. En naar de rechtsoverwegingen bij deze ingrijpende codificatie die in heel Centraal Europa een rechtsomslag te weegbrachten in de jurisdictieprincipes en de rechtsmachtstelsels. Want Napoleon I als Keizer der Fransen had zich ten behoeve van zijn politiestaat niet echt heel veel aangetrokken van de rechtsbescherming die het territorialiteitsbeginsel van oudsher, sedert de Vrede van Münster in 1648, de staten en de onderdanen van dien beoogde te bieden. De Kleine Keizer zag de strafwetten als louter instrumentele instrumenten om zijn gezag te handhaven, om zijn legitimiteit door te drukken. Hij erkende daarbij nauwelijks remmende beschermingsbeginselen op de macht om te straffen. Zijn soldaten rukten nog immer op en hun lijf, eerbaarheid en goed verdiende gedurende de eindeloze en onoverzichtelijke veldtochten onvoorwaardelijke bescherming zolang hun gelederen gesloten bleven, tot in brandend Moskou van 1812.

De kleine Keizer had dus meer aan het primaat van het personaliteitsbeginsel zodra hij de Rijn was overstoken oostwaarts de Rijnbondgebieden in. Bij deze Gutachten sloot de commissie- de Wal aan. En deze Gutachten kregen ongedachte actualiteitswaarden toen in 1950 Stalin op zijn beurt ook weer van een agressief personaliteitsbeginsel bleek uit uit te gaan om de Koude Oorlog westwaarts door te ontwikkelen. De Nederlandse rechtspraktijk, nooit heel erg geïnteresseerd  in jurisdictieperikelen, trok zich er nauwelijks iets van aan.  Al kreeg die praktijk steeds vaker te maken met NAVO-gerelateerde immuniteiten en enclaves zoals bij het commandocentrum te Brunssum. En toen de EEG steeds vaker aan het horizontale rechtsleven ging deelnemen bij handelingen en opstellingen van volkomen privaatrechtelijke aard — de zogeheten acta jure gestionis — die niets te maken konden hebben met soevereiniteitspretenties bleek dat dergelijke immuniteiten vaker vervolgingsuitsluitingsgronden opleverden dan gedacht. Maar de Hoge Raad gaf er altijd wel een practicabele draai aan zonder zich verder veel te verdiepen in het inmiddels op drift zijnde jurisdictiesysteem via deze vrijhandelsassociatie die de EEG origineel toch was en bleef. Dat bleef ongewijzigd, ook toen Nederland als zetelstaat van de  Legal Capital of the World steeds meer immuniteiten en enclaves op zijn strafvorderlijke weg ging vinden terwijl ook de Unie, opvolgster van de EEG, ook steeds meer exempties in het leven ging roepen. Het Nederlandse Openbaar Ministerie wist niet goed raad met deze stormachtige ontwikkelingen binnen het interstatelijk jurisdictioneel recht. Ook niet toen staten hun rechtsmacht via het personaliteitsbeginsel steeds verder in Nederland deden gelden zonder Nederland ook maar om enige machtiging te vragen, hoezeer zij ingevolge internationale jurisprudentie verplicht waren dat te doen.

Dat bleek wel prangend toen in Rotterdam Turkse ministers kwamen opdagen om hun (voormalige) landgenoten nog eens flink aan te zeggen dat zij hun Turkse nationaliteit niet zomaar van zich konden afschudden en dat ze ook in Nederland leider en volksonderrichter Erdogan trouw behoorden te bllijven tot heil van Ankara’s pretenties uiteindelijk een theocratie te vestigen. Mensen die zoeken naar Turkse ministers in Rotterdam die daar ambtsbezigheden kwamen uitoefenen in het publieke domein denken vaak aan het roemruchte en hoogoplopende incident van maart 2017, toen de Turkse minister van Familiezaken (Fatma Betül Sayan Kaya) door de Nederlandse politie werd tegengehouden en uitgezet bij het Turkse consulaat in Rotterdam, wat leidde tot rellen. Dat betrof dus het jaar 2017 en niet 2024 dat ook vaak genoemd wordt in jurisdictionele context, omdat in dat jaar Turkije aan de lopende band beambten en topambtenaren afzond naar de havenstad om daar Nederlandse Turken hun rechten en plichten jegens Ankara in te peperen. Het ging kennelijk het Nederlands Openbaar Ministerie niet aan in welke mate aldus het Nederlandse territoraliteitsbeginsel deerlijk geschonden werd. De bevolking hier te lande voelde zich wel degelijk onbehagelijk bij deze inertie die ook nog eens voortgezet systemisch bleek aan Nederlandse zijde. Nederland scheen aan de import van buitenlandse strafbedreigingen en de bijbehorende strafvorderlijke bevoegdheden geen gevaarzettingsaspecten te kunnen ontwaren voor de interne soevereiniteit die nog altijd niet aan Brussel onvoorwaardelijk ingeleverd was. Maar het kon verkeren. Dat liet Den Haag, dat steeds meer Europeser en zelfs universeel cosmopolitischer dacht, ook heel goed merken. Je kon echt niet zeggen dat Den Haag dat deed doorschemeren. Het scheen principaal beleid van hoge staatsmanswijsheid. De Nederlandse  volksvertegenwoordiging vond dat het wereldburgerschap van iedereen overal en nergens juist een principaal oogmerk moest worden van de consulaire politiek ongeacht de gevolgen voor de demografische opbouw binnen het poldermodel. Kwamen Turkse overheden in Rotterdam strafbedreigingen handhaven?  Gewoon accepteren, zei Den Haag. Goed voor de handel. Ankara begreep het best. En vroeg niet beter. En het zei de Rotterdamse Turk de wacht aan, ook betreffende de religieuze voorschriften die het departement van Eredienst vanuit Ankara soevereiniteitswaardig achtte. Die Turk bad daarom in de Maasstad openlijk voor Erdogan en betaalde zijn boetes.