Nederland is ineens ontstaan. Staathuishoudelijk bekeken, als een defensie-alliantie tegen de Spaanse Habsburgers, te beginnen met Philips II. De Nederlanden hadden veel bezwaren tegen de bestuurlijke centralisaties die de Habsburger-dynastie voorhadden met deze lastige polderlanden met hun dijken en waterstaatsbesturen die zich autonoom opstelden tegenover het Keizerlijk gezag dat Maximiliaan I Habsburg trachtte vestigen in deze drassige gewesten in 1477. Hij trouwde met Maria van Bourgondië, ook wel Maria de Rijke genaamd. Die bezat deze noordelijke erflanden als dochter van Philips van die dynastie die geen zonen teelde en dus moest goed vinden dat een aangetrouwde vent met de buit van de soevereiniteit over deze landen scheut ging.
Volgens het Salische Erfrecht kon een vrouw niet handelingsbekwaam zijn over haar onroerende goederen noch handelingsbevoegd over soevereiniteitsrechten. En dat erfrecht beheerste nu eenmaal de feodale erfopvolging in monarchieën en hertogdommen sedert de vroegste middeleeuwen. De erflanden moesten niet veel van de Habsburger hebben en hij niet van hen, al deed hij echt wel zijn best. De steden hadden zich al weten te ontwikkelen als zelfstandige publiekrechtelijke rechtspersonen met eigen recht, privileges en stadsrechten tegenover de centrale overheid. Wie dat ook mocht wezen. Dat ervoer Maximiliaan als inbreuk op zijn keizerlijke rechtskring als monarch van het Duitse Roomse Rijk van de Teutoonse Natie. Maar hij vermocht niet veel meer dan pappen en nathouden. De waterstaatkundige bestuurlijke organen zoals de water- en polderschappen, de (hoog)heemraadschappen, de beheersbestuurders van watergangen, sluizen en de daaraan verbonden openbare kunstwerken zoals sassen en afwateringen, al of niet gegraven, waren voor Maximiliaan helemaal ongrijpbaar.

Dat had je in Oostenrijk allemaal niet, daar had je eventueel kunstwerken tegen lawinegevaar en bedammingen van smeltwatermeren, maar dat waren toch heel andere coöperatieve verbanden die economisch ook niet heel erg ingrijpend uitwerkten op de nationale economie. En dat deden die waterstaatsbesturen met hun specialismen, nauw samenhangend met de relatieve werking van het ebbend en vloedend grondwater en met de daardoor steeds verschuivende geomorfologie nu juist wel. U heeft geen idee wat een enorme betekenis het heeft gehad, economisch gezien, dat de Delfshavensche Schie via zware sassen en dubbele sluizen sedert 1421 directe uit- en uitvaart voor binnenvaartschepen van en op de Mer-Wede mogelijk maakte. Holland leefde daarvan enorm op. Rotterdam kreeg er meer betekenis door, vooral toen het hetzelfde kunstje flikte via de Rotterdamsche Schie. Dat deden de steden allemaal zelf, samen met de water- en polderschappen, verenigd in nieuwe heemraadschappen. De Habsburgers plukten er natuurlijke vruchten van via fiscale heffingen. Maar beheersen deden ze deze kunstwerken niet of nauwelijks. Karel V, de Keizer, zag in dat hij hier een mogelijkheid had om een Rijksbeheer te vestigen in de waterstaat van de Lage Landen. En hij begon met het Hoogheemraadschap van Amstelland te stichten.
In het stellig voornemen te zijner tijd het hele waterstaatswezen over te nemen in de Lage Landen. Maar dat hij geduld moest hebben, dat zag hij in, vooral omdat zijn regering de bijbehorende waterstaatkunde nog moest leren. Dat had Philips II, zijn zoon, niet, dat geduld. Die begon echter heffingen te doen of dat wel zo was en vandaar dat wapengedruis dat Robert Fruin, romantisch als steeds, in de negentiende eeuw de Tachtigjarige Oorlog noemde. De bewoners van de Lage Landen wonnen die en bezwoeren elkaar dat ze geen koningen en prinsen meer beliefden. Daarom is die Prinsjesdag dus een rara avis in onze geschiedenis als staatkundige ceremonie. Die is uitgevonden als traditie. Ze lijkt middeleeuws. Dat is ook de bedoeling.
Maar ze is bedacht. In 1903 eigenlijk. Omdat het koningschap verkocht moest worden. Het is een van de uitgevonden tradities waaraan Nederland laboreert. Uitgevonden tradities (Engels: invented traditions) zijn nationale symbolen en rituelen die worden voorgesteld als oude tradities. Door te verwijzen naar een ver verleden wordt een nationale identiteit geschapen die de nationale eenheid bevordert of het bestaan van bepaalde instituties of culturele gebruiken legitimeert. Vaak uit zich dit in de vorm van anachronismen. Als zodanig zijn uitgevonden tradities een vorm van geschiedvervalsing die, hoewel meestal moedwillig gepleegd, ook kan voortkomen uit gebrek aan kennis of onbegrip van de beschikbare kennis. Het begrip is afkomstig van Eric Hobsbawm en Terence Ranger. Uitgevonden tradities zijn nauw verwant aan ontstaansmythes.
