Abductie algemeen

In de Nederlandse volkerenrechtelijke litteratuur wordt niet veel aandacht besteed aan het gegeven dat staten soms via onwettige of onverdragsmatige wegen en kanalen onderling bedisselen om opgeëiste personen aan elkaar over te dragen met een strafvorderlijk doel zonder ze officieel ook daartoe uit te leveren. Uitlevering komt neer op de gedongen verwijdering van een natuurlijk persoon met het oogmerk om hem te onderwerpen aan strafvorderlijke opsporing, vervolging, berechting en bestraffing – – dus straftenuitvoerlegging – – in de verkrijgende staat. De grondwet geeft aan dat uitlevering alleen mag op basis van een uitdrukkelljk daartoe opgesteld uitleveringsverdrag. Daarbij staan allerlei procesrechtelijke en materieelrechtelijke waarborgnormen ten dienste aan de persoon wiens verwijding wordt aangevraagd, waaronder de waarborgnorm dat hij in de aangezochte staat in ieder geval één maal toegang tot de rechter moet kunnen krijgen om de rechtmatigheid van die verwijdering ter discussie te stellen. En daar zit hem nou net de kneep. Want in Nederland kan die persoon — de opgeëiste persoon, dat is de technische uitdrukking — zich beroepen op allerlei andere verdragen dan dat uitleveringsverdrag die “naar hun aard eenieder verbindende bepalingen”  bevatten.

Dat is het befaamde en ook wel beruchte artikel 93 van de Grondwet dat dat mogelijk maakt. “Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt.” Nederland heeft een overmaat van verdragen geratificeerd waarin dergelijke bepalingen staan die waarborgend kunnen werken ten behoeve van de bijzondere persoon, ook al hebben de verdragsluitende partijen dat nooit zo bedoeld. Het EVRM wemelt ervan, althans volgens de interpretatie van de Nederlandse rechters en het toepassingsbereik dat die aan die uitleg geven, waarbij ze uitermate inventief blijken. Wat een opgeëiste of uitgeleverde persoon dus aanstonds doet is, dat hij in Nederland zich wendt tot de burgerlijke rechter en daar zich beroept op dat soort waarborgnormen uit allerlei verdragen die een andere verdragsondergrond hebben dan het eigenlijke strafrechtelijke rechtshulpverkeer van de staten. In kort geding, wel te verstaan, waarbij hij alsnog de voorgenomen of uitgevoerde verwijderingshandeling presenteert als onrechtmatige overheidsdaad. De burgerlijke rechter kiest dan in Nederland bijna altijd de kant van de rechtsbescherming van de opgeëiste persoon en verbiedt bij voorraad de verwijdering. Zoals hij dat ook doet bij een voorgenomen uitzetting uit hoofde van het vreemdelingenrecht, al komen uitzettingen de laatste decennia bijna nooit meer voor.

Reeds omdat de mogelijke staat van herkomst van de vreemdeling tevoren te kennen geeft niet diens toelating te zullen toestaan tot zijn grondgebied wanneer hij documentloos wordt aangeleverd, wat zo goed als altijd het geval is. Daarom worden nogal wat personen die niet toegelaten zijn tot Nederland tersluiks en illegaal verwijderd met staatsbemoeienis van Nederland en medewerking van andere staten die geen transit willen gunnen aan dat individu omdat hij wereldwijd gesignaleerd staat als internationaal crimineel. Vaak is het Nederlandse Openbaar Ministerie daarbij betrokken omdat dat die persoon ook liever wil lozen. Die werkt mee om de persoon in de val te lokken van een ontvoering. En daarmee ontstaat dan de kwestie of, wanneer dat aannemelijk is, eigenlijk niet de rechtsmachtsuitoefening van de verkrijgende staat is aangetast en niet langer geoorloofd verwezenlijkt mag worden door aanhouding, arrestatie en voortgezette vervolging en berechting. Dat is het systeem van het “ex iniuria ius non oritur”: uit onrechtmatigheid kan geen recht ontstaan, dat doorgaans in de staten gevolgd wordt die georiënteerd zijn op het Romeinse en Canonieke recht dat ooit het Avondland verenigde, ook interstatelijk.