Het is niet zo dat iedere schending van het materiële territorialiteitsbeginsel een vorm van agressie is, waarbij de Veiligheidsraad tussenbeide kan komen als rechtshandhaver van het supranationale jurisdictierecht. Het territorialiteitsbeginsel is in de eerste helft van de negentiende eeuw door de mogendheden gedefinieerd als een rechtsbeginsel in rechtsnormatieve zijn, gericht tot de staten die de integriteit van elkaars grondgebied waarover zij interne soevereiniteit mogen en moeten uitoefenen onvoorwaardelijk moeten respecteren. Het beginsel is niet opgezet om de individuen binnen die gebieden waarborgen te verschaffen, maar juist de staten jegens elkaar. Die moeten dat principe gehoorzamen, tenzij de territorialiteitsstaat wiens grondgebied geschonden is, hen van de gehoorzaamheidsplicht uitdrukkelijk ontslaat. Zo bedoelde de Britse minister van Buitenlandse Zaken Castlereagh het principe dat ten grondslag zou liggen aan de herordening van het machtsevenwicht tussen de grotere mogendheden op het West-Europese continent. De staten verplichtten elkaar deswege onderlinge jurisdictieconflicten te vermijden en hun garanties deswege werden onder deze invalshoek geformuleerd. Dat bleef ook zo. Het werd een hoeksteen van het onderling buitenlands beleid. Dat bleek al aanstonds toen Nederland terechtkwam in het merkwaardige conflict dat wij nu inboeken als de Belgische Opstand van 1830 gevolgd door de Tiendaagse Veldtocht in 1831 waarbij Frankrijk ineens het grondgebied van de opstandige Belgen binnenviel met een geducht veldleger onder Maarschalk Gérard die flink doortastte bij zijn opmars naar Antwerpen. Dat deed hij overduidelijk op instructie van Parijs dat de zuidelijke Nederlanden nu wel eens volledig wilde annexeren.

Willem I beschouwde dat als een agressie tegen hem gericht als erkend soeverein, waartegen Whitehall meteen zou behoren op te treden op basis van de erkenning van Willem als Koning van de Vereenigde Nederlanden in 1815. Maar dat was toch een vergissing: Whitehall liet onmiddellijk weten dat Willem aan het in 1815 gedefinieerde grondgebied van zijn Vereenigd Koninkrijk jegens Groot-Brittannië geen enkel recht kon ontlenen. Dat konden alleen de andere Mogendheden, Pruissen, Oostenrijk en Rusland die deze territoriale garanties van 1815 hadden afgegeven. En die lieten weten daarvan te dezen geen werk te willen maken. Al gaven ze toe dat Frankrijk, voorzeker, het territoraliteitsbeginsel van het Verdrag van Wenen van 1815 had geschonden: dat gaf Parijs zelf ook toe en trok het leger ijlings terug. Zo was het ook in juli 1914 toen Wenen het territoir van Servië dreigde te schenden teneinde de voorbereiders van de aanslag oog de Groothertog Franz Ferdinand Habsburg strafrechtelijk te wreken. Belgrado was onmiddellijk bereid over de strekking van dat territorialiteitsbeginsel te onderhandelen en het mogelijkerwijs tijdelijk op te geven onder supervisie van Londen. Ik gaf dat al aan. In 1939 liet Londen Berlijn weten dat het bereid was geen consequenties te verbinden aan de inval van de Duitse Wehrmacht in Polen mits Berlijn de troepen binnen een nader te bepalen termijn zou terugtrekken en compensaties aan Warschau zou bieden. En zo was het ook bij het uitbreken van het Koreaconflict: Washington was genegen tot onderhandeling als de Volksrepubliek China zou terugkeren naar de afwachtingsopstellingen die het grensleger tevoren, voor de inval in Korea, had ingenomen. Dat is in dit geval bij het conflict Venezuela/Verenigde Staten van Noord-Amerika ook nog steeds mogelijk.
Venezuela maakt zelf de zaak niet bij de VN aanhangig, omdat de staat VS weliswaar de territoriale soevereiniteit van Venezuela heeft geschonden, maar niet zodanig dat de interne soevereiniteit ervan is aangetast. Venezuela eist dan ook geen “due restorations” door teruglevering van Maduro. En ook geen “herstel” in vorige toestand: dat kan immers alleen door teruglevering van Maduro. Dat kan wel, de Raad heeft dat in bepaalde gevallen geboden aan het Kremlin en aan Washington. Want abductie van staatshoofden op staatslast komt vaker voor. China maakt de zaak aanhangig als vorm van “agressie” in de zin van ICCS ( International Criminal Courts Statute) cfm de verklaring van Kampala. De VS heeft opgegeven dat het geen annexatoire ambities heeft. Het wil hulp verlenen bij interne politionele acties door Venezuela ter beteugeling van de onbeheersbare drugskartels die de staatsmacht dreigen over te nemen. Als Caracas daar ook nog om vraagt aan Washington, wat heeft Nederland dan nog te klagen? Zeker is dat Washington nogal wat grieven kan spuien over de wantoestanden op de Nederlandse Antillen bij de bestrijding van de drugsbendes aldaar die aangestuurd worden vanuit Venezuela door bepaalde oppermachtige kartels. Jetten moet dus uitkijken dat het departement van Buitenlandse Zaken inderdaad geen veroordeling doet uitgaan. Doet het dat, dan komt Nederland ook in beeld als rascalstate, laat dat gerust aan Trump over. Washington gaf meermalen met redenen ontkleed aan dat onze Rijkskustwacht in het Caraïbisch gebied nogal wat steken heeft laten vallen bij de nakomingen van de plichten ingevolge de Drugsconventie van 1927, nog uit de Volkenbondstijd waarin Nederland het beste jongetje van de klas wilde wezen. Dat levert een hele waslijst op sedert 1950. De juridische dienst bij Buitenlandse Zaken weet daar heel wat van af. Er is hier sprake van deelneming door Nederland via nalatigheden.
Venezuela hervat de uitoefening van de interne soevereiniteit via het aanstellen van een nieuwe president. Het wil wel met Washington om de tafel, over de nieuwe verhoudingen die daardoor ontstaan. Het is aan Venezuela om vast te stellen of het de inbreuk op het materiële territorialiteitsbeginsel onherroepelijk en/of onherstelbaar vindt. Voorshands schijnt het dat niet te vinden, want het vraagt niet bij het parlement om het verbreken van de diplomatieke betrekkingen met Washington. Het roept zelfs de ambassadeur niet ter consultatie terug. Het kan dus besluiten de VS helemaal niet aansprakelijk te stellen.
