Allerheiligen 2025

In onze parochie trokken we op Allerheiligen met het kerkkoor in de vroege ochtend het enorme kerkhof op in processie, gehuld in de togen en superplie van het acolythen-college waar ik later ook nog deel van ben gaan uitmaken. Wij zongen dan sonoor door de ochtendnevelen de psalm Credidi propter quod locutus sum: * ego autem humiliatus sum nimis. Ego dixi in excessu meo: * omnis homo mendax. Ik heb geloofd en daarom moest ik spreken, hoezeer ik mij daardoor tevens verneder, aangezien de mens nu eenmaal logenachtig is. Gregoriaans, in wiegende toonzetting en ritmisch, wat bij gregoriaans uitzonderlijk is. Maar smartelijk van nagalm, waarbij de tenoren zich vooral konden uitleven omdat deze geluiden zonderling weerkaatsten tegen de enorme zerken van de familiegraven met een toegang tot de grafkelders daaronder. Op de nuchtere maag, moet u rekenen. Ik ging voorop en droeg het onzegbaar zware kruis met de martelwerken van Golgotha er plastisch op gebeeldhouwd rondom het dramatisch krimpend corpus van onze Goddelijke Zaligmaker. Een devoot begin van de dag. Door de mistbanken zag ik niet steeds de boomwortels die uit de paden tussen de grafmonumenten opstaken en maakte aanstalten tot struikeling, die ik te nauwernood wist te voorkomen met inspanning van alle jeugdige krachten. Het enorme processiekruis zakte bij deze worsteling uit de houder der draagband op borsthoogte en versnelde mijn val op de gewijde aarde die ik nipt op het allerlaatste moment toch weer wist te overwinnen maar waarbij ik de flambouwdrager links of rechts schampend eveneens uit hun evenwicht bracht terwijl zij daverend het miserere inzetten.

Want het geldt hier een antifone beurtzang waarbij Gods erbarmen met zijn deerlijk dwalende mensheid steeds weer wordt ingeroepen. Lichamelijk letsel werd daarbij echter nimmer toegebracht, moet ik gewagen, maar wel verstoorde ik de polyfonie die over ons heengolfde in deze schemeringen en soms zelfs de maat waarin de zangers dienden voort te treden op weg naar de grote berg van Golgotha die dorpsvlijt had doen verrijzen in het centrum van de dodenakker. Een keer dreigde Kees de Koster Loeffen door mijn stuikende beweging ook ter aarde te storten terwijl hij het wijwatersvat hief voor de pastoor om nog enige kletsen wijwater uit te sprenkelen  in de vier windrichtingen zoals het hoort voordat wij ter aarde zouden zijgen teneinde geknield over te gaan tot kruisaanbidding. Kees schrok hiervan zo heftig dat hij een stroom godslasteringen ten gehore bracht waar de pastoor bepaald van opkeek, want de dorpsherder had deze verbale rijkdom niet achter de overigens ongeletterde altaarassistent gezocht.

Ik ook niet trouwens. Een banjir van vervloekingen steeg ten hemel waar Alle Heiligen raar van opkeken en Kees moest later ook in de spreekkamer van de pastoor komen op de pastorie. Het bijzondere was dat Kees buitengewoon vaardig bleek in blasfemische aanroepingen waarbij het inleidende godvernakende verdommenis slechts een overture bleek tot een symfonische demonologie die ik graag de mijne had willen maken want ik was destijds een leergraag baasje. Ik ben de pastoor dan ook gaan vragen of hij mij verder te dier zake wilde inlichten, maar de dorpsherder bleek daar niet toe bereid. Dat viel mij niet echt mee van deze getoogde gezagsdrager die steeds bereid was mijn vocabularium bij te punten. Hij zag destijds veel in mij als dienaar van onze Moederkerk en juichte bijzonder toe dat ik alle voetgebeden in het Latijn moeiteloos kon reproduceren. Maar dit was een brug te ver. Anderzijds, zo overwoog ik, kon Kees de Koster weinig hebben. Maar hij had in de oorlog in een concentratiekamp gezeten, zo deelde de dorpsherder mij ongevraagd mee. En daarna was hij wat schrikachtig geworden omdat hij alle dagen arrestaties vreesde. Ook op het kerkhof, vroeg ik voor alle zekerheid. Ook op het kerkhof, zei mij plechtig mijnheer pastoor. Het was wel jammer van Kees. bij Philips was hij zeker chef geworden in het magazijn. Dat zat er nu niet meer in.