Allerheiligen 2025 V

Mijn verwekker stierf wat later in het jaar dan zijn eega Miep op de leeftijd van zesentachtig, mijn moeder op die van zesenvijftig. Mijn verwekker stierf oververzadigd van de stoffelijke geneugten des levens, in volledige zekerheid dat hij het erg goed gedaan had en dat hij dus in de hemel zou komen. Dat deed hij mij in het hospitium ook wel weten. Het kon hem, zo gaf hij te kennen, verder niet verblotenkonten wat ik er eigenlijk van dacht. Verblotenkonten. Een typische aanduiding van mannen uit zijn generatie die eerbetoon aan het hoofd van de echtvereniging vanzelfsprekend vinden. Het is een ambtshalve toewijding die bij de functie behoort en die die generatie dus vanzelfsprekend vindt en vond. Hij had, zo deelde hij mij mede, vijf kinderen op de wereld gezet en dat zag hij mij niet doen. Daarvoor liet hij mij op zijn stervenssponde ook apart naar Eindhoven sporen.

Ik zat op mijn werk toen ik een daartoe strekkend telefoontje kreeg doorgeschakeld van mijn secretaresse die instructies had mij volstrekt niet te storen. Ik had op dat moment met de ambassaderaad van Frankrijk een moeizaam stamelend gesprek in zijn moedertaal die hij in ranselende ritmes over mij uitstortte, mij zo nu en dan verbeten corrigerend in naamval en voltooid deelwoord, niet verhullend dat mijn Frans belazerd was en een aanfluiting voor een beschaafd mens. Het ging over een kwestie in verband met het Permanent Strafhof in de duinen hier aan de Van Alkemadelaan. Waarbij Frankrijk vond dat Nederland de nationale glorie van Frankrijk had geschonden door de vaststelling dat Frankrijk Nederlandse troepen in het rechtsgebied van voormalig Joegoslavië weer eens niet voldoende luchtsteun had geboden bij een evacuatie-operatie in VN-verband. Dat had ik zijdelings in enige academische beschouwing ten beste gegeven. Ik had het juist gevonden deze diplomaat in het Frans te woord te staan, maar dat kun je echt beter laten, want zo’n Fransoos gaat je openlijk nog zitten corrigeren als je een conjunctief verkeerd inzet. Zodat je afgaat als een gieter. Tegenover grinnikende officieren. Die het wel mooi vinden dat de pedante en appetante frik van een professor flink de les wordt gelezen in de taal van Voltaire. Dat telefoontje kwam dus eigenlijk onbedoeld goed uit. Mijn verwekker had de wens te kennen gegeven dat hij mij nog éénmaal wilde spreken.

Niet zonder dramatiek. De secretaresse kwam het mij verontschuldigend onthutst melden. Ze wist dat mijn verwekker stervende was, dat had ik haar ook gezegd, zo en passant. Ik ben toen tegen beter weten in in de trein gesprongen. Ben naar Eindhoven gesneld. Maar denderend over de Moerdijkbrug — Tante Cato, Tante Cato, Tante Cato — zat ik mij al te ergeren dat ik aan deze vlaag van ontremming had toegegeven, want dat de man, oorsprong van mijn aanzijn, mij  nu echt nog iets te openbaren had, dat sloot ik uit. In Eindhoven, het dramatische moment maar prolongerend, nam ik een taxi. Snelde naar de sterfkamer. Trof daar een monter persoon. Die de ogen opende uit de sluimer. Mij aanzag, terwijl de herfstzon de kamer inscheen en de dampen verried die er nog hingen en aangaven dat de patiënt toch weer sigaren had liggen roken terwijl dat strengstens verboden was.

Hij ging kreunend iets overeind zitten. En ik ervoer toch spanning: ging hij mij nu eindelijk vertellen dat ik een onecht kind was, waar de goudstaven waren verstopt of dat hij toch regelmatig zware oplichtingen had begaan bij zijn verzekeringspraktijken?  Dan wel een moord had begaan, een dubbel huwelijk gesloten of oorlogsmisdaden had begaan?  Ik achtte het allemaal tegelijkertijd mogelijk. Want hij zat nooit voor één gat gevangen. Dat moet ik erkennen. En ik wel. Daarom ben ik ook nooit getrouwd. Laat staan dat ik mij zou hebben willen voortplanten. Maar de oorsprong van mijn leven haalde adem. En deelde mij mee dat hij met één banaan zijn hele leven al tevreden was geweest. Men boekt het in de herinnering. En des avonds als de milde weemoed komt terwijl men op de rand van de sponde verwijlt herhaalt men het zacht fluisterend. In de kerk zongen we eendrachtig het lied van Huub Oosterhuis: “Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf”.  Maar gebleken was toch, dat mijn verwekker dat nu juist tot in perfectie gedaan had en voltooid had in de handen van de oorzaakloze veroorzaker.