De blâren dorren/De Boomen wachten stil het laat seizoen/ en wachten den nabijen winter/Ik vind er/ Mijn leven in/dat heen gaat spoën. Aldus de poëet Willem Kloos. Een tachtiger. De litteraire stroming uit de negentiende eeuw toen de elite van Nederland een nieuwe letterkunde wilde beginnen om te doen laten uitkomen dat ze niet van gisteren waren en Nederland wilden opstoten in de vaart der volkeren. Ook toen al werd de elite gekenmerkt door pathologische hoogmoedswaanzin net als nu. En een zelfgenoegzaamheid die ronduit stuitend is. Maar dat vonden de Tachtigers natuurlijk helemaal niet. En omdat ze van huis uit rijk waren, gepamperd door hun ouders en verder ook nog flinke subsidies kregen deden ze waar niemand behoefte aan had. Maar die uiteindelijk de maatschappij flink schaadden. Aan deze versregel van Kloos moet ik denken als ik terug kijk op die stervensuren die moeder destijds moet hebben doorgemaakt zonder dat vermoedelijk te weten.Op weg, letterlijk, naar Allerzielen. Waar geen oor van hoorde en wat geen oog heeft gezien. De ultieme waarheid van het stoffelijk voorhandene, de essentie van de dingen.

Natuurlijk werd het een nacht om nimmer te vergeten. Er zijn er sedertdien vele verstreken. En ze waren het waard nimmer vergeten te worden. Maar vraag mij niet waarom en wat ze te weeg brachten. Het leven is een mysterie. Maar zeker omzeggens tegen Allerheiligen en Allerzielen. Het heeft een hogere bedoeling. Maar vraag mij niet welke. Om ongeveer vier uur ging de telefoon. Vader dramatisch en amechtig aan de lijn: “jullie moeder is dood, je moet direct komen”. Broer Hans was meteen wakker en stond zich al aan te kleden. Zonder te wassen. Daar zei ik ook nog wat van. Pietje Precies. Gek genoeg herinner je haarscherp die details die zo niet ter zake zijn. Hij sprong op het dwaze zwarte fietsje waarop Frans en later ik dat hele pokken-eind naar het Sint Joris-college in de Elzent-wijk bij Stratum fietsten. Het ding was een Gazelle, met een enorm ingewikkelde trommelremconstructie die aan slijtage onderhevig was en plots kon haperen met terugtraprem, die venijnig kon blokkeren. Ik weet nog dat ik aarzelde: dood was toch dood en morgen bij daglicht was dat ook nog zo.
Maar ik ging toch achter het dansende achterlichtje van Hans aan op die grote Gazelle herenfiets met roestende trommelremmen die ik in de vijfde klas van het gym kreeg en die mij in ieder geval veel te groot en te hoog was. Die was nog uit 1946. Ik heb nu exact zo’n model, maar dan een kleinere. Hans ontwikkelde een razende snelheid door dramatisch nachtelijk Eindhoven. Ik trapte mij het lazerus. Maar Hans zwierde alsof hij een Tour de France traject uitreed een kilometer op hoge snelheid vóór mij uit. Hij nam slippend de havenkom met een forse draai, daar waar ook de rails van een rangeerterrein in het wegdek lagen en waarop destijds ook nog gerangeerd werd. Een verraderlijk stuk, want die rails nodigden uit tot slippartijen. Dat ik dacht: die flikkert straks ook nog het Eindhovensch Kanaal in, hoe krijg ik hem eruit. Dat leek mij op dat moment echt iets voor Hans. Om meer diepte te geven aan deze gebeurtenis die natuurlijk een onverhoopt scharnierpunt zou blijken te zijn in ons emotionele leven. Ik zag hem de afdaling inzetten naar de Bleekstraat en verloor oogcontact. Want inhalen, daar kon geen sprake meer van zijn en bovendien begonnen de glasscherven van het Stratumseind al te knarsen iets verderop. Ik kwam dus veel later aan aan de Zeelsterstraat. Ik moest apart bellen. Het duurde, traditioneel, geruime tijd voordat vader opendeed. Ja, dat herinner je je dan nog wel. Je hoorde duidelijk de vestibuledeur zuigend dichtslaan met een klap. Maar dan duurde het toch nog één minuut of meer voordat de voordeur kierend werd opengedaan. Wat vader in die tussentijd dan deed, heb ik mij altijd afgevraagd. Want de vestibule had nauwelijks een diepte van twee meter. Ik breng mij te binnen, dat ik dat toen ook heb staan denken. De gezinsleden zaten verwezen in de voorkamer. Onder die helle lamp. Die zo modern was. En zo ongenadig van schijnsel.
