De begrafenis was een eigenaardige gebeurtenis omdat ze enerzijds was afgestemd op een volledige rooms-katholieke eucharistieviering en anderzijds bol stond van opstandige teksten tegen God en Zijn schepping. Die God, die bestond niet en bovendien had hij Miep volledig ten onrechte op haar zesenvijftigste laten doodgaan terwijl ze vroom en sober als een Ursuliner kanunnikesse had geleefd, alleen dan één met vijf opstandige kinderen die eigenlijk ergens niet deugden. Veel gezangen van Huub Oosterhuis met maatschappijkritische en verontwaardigde teksten over Gods Volk Onderweg. En dat de minsten de laatsten zouden zijn en de laatsten de eersten, of omgekeerd, dat stond ook nog niet eens vast. In de kerk wist ik mijn promotor Professor Mr Drs Willem Nieboer, voorzitter van de vakgroep strafrechtswetenschappen aan de Katholieke Hogeschool Tilburg, ook handelend onder de naam Karl Marx-universiteit. Maar Nieboer was ook nog eens gereformeerd vrijgemaakt buiten hersteld verband of iets dergelijks. En die nam dingen van openbaarlijke zijde nogal serieus, die zou stellig mij gaan ondervragen wat deze ceremonie nu precies moest voorstellen. En daar zag ik toch wel tegen op. Reeds omdat ik dat zelf evenmin wist.

Ik begreep er niet veel van. Maar droevig van onsamenhangendheid was het toch allemaal wel, dus dat spoorde prima met het karakter van de dierbare overledene. Die was steeds de laatste jaren in opstand geweest tegen de samenleving. Die deugde niet. En ik ook niet, aldus moeder, want ik was veels te maatschappij bevestigend en niet geëngageerd. Dat was ook zo. Ik begreep ook van de maatschappij niet veel. We pakten daarom manmoedig als de zoons van de schielijk ontslapene de burries vast van de draagbaar waarop de kist tenslotte werd gestuwd en hieven het gemeubelte dat topzwaar bleek wankelend op hoogte teneinde de ultieme heemvaart naar het kerkhof aan te vatten. Het regende een beetje uit een staalgrijze hemel. En ik ervoer dat de dracht buitengewoon zwaar viel. Ook omdat mijn oudste broer die rechts voorop tred en tempo bepaalde flink het tempo erin hield. Hij marcheerde bijna. Met schokkende zijdelingse bewegingen zodat de kist steeds mijn richting in schoof. Steeds meer. Ook en vooral toen we het portaal betraden en de baar schuinsweg de treden van de kerktrappen af moest worden gezeuld. Ik dacht het op een zeker moment niet echt meer te houden omdat de kist mijn vingers verpletterde. En ik vreesde het gevaarte los te moeten laten. Ik zag eigenlijk het stoffelijk overschot al op het plaveisel krachtig neerploffen, wellicht met beschadigingen aan de uiterlijke verschijningsvorm die ritueel geen pas zouden geven. En dat dan Nieboer zou denken dat dat er bij hoorde, bij die roomsen, want dat die de gekste liturgische praktijken er op na hielden. En dat hij mij daarover dan bij de condoleance zou aanspreken. Wat of dat dat moest. Of ook: wat heeft dat nu eigenlijk in? Maar ik redde het nog net en volbracht de draai naar het immer mistroostige Sint Teresiakerkhof. In Het Patronaat was het nog druk ook. Tante Nel was er overduidelijk aanwezig: de oudste zuster van mijn vader. Zij omhelsde mijn vader duchtig, want ze konden elkaar niet luchten of zien, zoals dat hoort. En mij vroeg ze of moeder er heel erg náár bij had gelegen op haar sterfbed. En ik antwoordde niet dat ze beter de majem in kon flikkeren. Maar ik zei dat het gruwelijk was geweest, niet om aan te zien tante Nel. Omdat Nel dat stellig heel aardig zou vinden. Er waren croquetten van Bakkerij Gerrits. Bij de lunch. Maar die waren even koud als mijn moeder. En ik zag in dat het niet goed was. En dat dat ook wel zo zou blijven. En pas toen vroeg Nieboer, die het eigenlijk niet langer meer voor zich kon houden, wat dat alles nou precies inhield. Met zo’n Gronings accent. Vrijgemaakt, hé?
