U heeft wel eens papierstapels zien omvallen, veronderstel ik. In de rechterlijke macht zag je het veel. De stapel lag dan vaak rechts van de president. In de meervoudige strafkamer. Ik heb het nu over mijn Bossche tijd toen de dossiers nog helemaal van papier waren. De president bleef dan doorgaans haken met de manchette van de rechtertogamouw in de stapel. Die manchetten hingen toen nog echt los in het boord van de zijden baan op de mouw en vaak had je daarin je zakdoek zitten en je agenda. De president zocht dan tijdens de ondervraging die hij leidde in de stapel naar een gedingstuk met een passus waarom hij verlegen zat, bijvoorbeeld omdat de verdachte hardnekkig bleef ontkennen. Zijn mouw zat dan even vast en hij gaf een nijdige ruk aan zijn plechtgewaad. Daardoor raakte de stapel in disbalans en de bovenste gedingstukken gingen aan het schuiven, eerst langzaam, maar daarna steeds sneller, en steeds één richting in zodat de hele papierwinkel op de grond viel in een ontembare banjir van processtukken, steeds sneller en sneller. De zaal zat dan devoot te kijken, de deurwaarder peuterde niet langer in zijn neus en de parketwacht veerde op. De president keek mij dan gehinderd aan, als de laagste in rang, en ik moest dan de papieren bijeengaren, gebukt en daardoor al schuldig, terwijl de president gehinderd op de tafel trommelde. Hij ging ervan uit dat ik ook de stukken meteen keurig gecollectioneerd op griffienummering aanreikte, maar dat lukte mij nooit.

Het decorum was nu geschonden en de zitting stond stil, omdat het recht beschadigd scheen. Zo is het ook met reputatieschade. Die heeft zich omzeggens met de heer Khan voorgedaan, of hij nu schuldig staat of niet. Dat weten veel mensen ook verrekte goed en ook waarom Khan voor die schade of besmeuring aan of in zijn blazoen bij uitstek in aanmerking kwam. Reken maar. Khan stond voor zijn benoeming al bekend als rokkenjager en bullebak, twee eigenschappen die wonderlijk genoeg elkaar wederkerig in de ban schijnen te moeten houden. Khan was erom berucht en daartoe had hij zich extra ingespannen, met vaardigheid een betere zaak waardig. Nu had deze Tilburgse hoogleraar die zo buitengewoon gesteld bleek op die hoogbenige SABENA-stewardesse met haar splitrok en strakke uniformjasje ook een hele vreemde reputatie: hij grossierde in sociale onrust. Hij speelde mensen zorgvuldig tegen elkaar uit en vermeide zich in de argwaan die dat blijvend genereerde. Dat kan een mens tekenen en je moet er beslist aanleg voor hebben. Dat had die ouwe voorzitter, die in Nijkerk woonde en lid was van een merkwaardig kerkgenootschap buiten Hersteld Verband maar tóch Vrijgemaakt nu eens in het geheel niet.
Die was er twee keer in de week. Maar dat merkte je niet. Alleen hing de geur van mottenballen dan wat hardnekkig bij de deur van kamer 927. Omdat hij dan een merkwaardig zwaar geruit pipo-pak aanhad met een stropdas voorzien van kleurenopdruk van rode, gouden en blauwe ballen. Dat was de avond te voren door zijn zorgzame vrouw naast de bedsokken klaar gelegd, want de professor moest in alle vroegte naar de stoptrein voor Utrecht. Deze protestant had uitvoerig geluisterd naar de uiteenzettingen van de Italiaanse eega bij Boerke Mutsaerts over de relatie van de SABENA-luchtvrouw en de collega proximus en dat was via het curatorium ook verder uitgedragen naar de lagere regionen, want daar had deze voorzittend professor zich mee moeten verstaan. Waarom had hij het oor geleend aan deze aantijgingen? Wat had hij daar mee voor? Ik vernam het met enige zorg. Want deze collega zou dat niet onvergolden laten. Dat leerde mij diens verstarde glimlach van staal wel tijdens de vakgroep lunch. Hier kwamen besmeurde reputaties van. En niet zoals die voorzitter zich dat wellicht voorstelde. Ik sprak hem erover. Maar hij dacht dat hij vrij zou lopen.
