In de vroege deemstering van zondag 10 november 1918 stopten negen militaire Duitse stafauto’s bij de grenspost Withuis te Eijsden in het uiterste zuiden van Nederlands Limburg. Ik repte daar al van. Nu kom ik op de preciese details uit. Die zijn relevant, omdat ze de positie van Nederland te Parijs bij de vredesbesprekingen zouden bepalen. Want als inderdaad Nederland Wilhelm ondubbelzinnig bewijsbaar zou hebben uitgenodigd, dan zou ook Nederland te Parijs een zware pijp zijn gaan roken. De lezingen over de wijze waarop de Keizer bij Eijsden toelating verkrijgt, lopen vanaf het begin af aan nogal uiteen. Drie regionale kranten berichten via verslaggeving ter plaatse: De Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche Courant en de Noordlimburger alsmede de Limburger Courier. Die bedienen zich van reporters die de plaatselijke (sub)dialecten machtig zijn en die ook weten waar grensovergangen zijn, waar de “doodelijke draad” precies loopt, de overgangen over de Maas en de grensweggetjes. De Nieuwe Rotterdamsche Courant moet het hebben van telegrafische contacten met notabele personen op locatie die correspondent zijn van deze vooraanstaande landelijke krant. Die kennen die taaltjes niet, maar die dringen wel meteen door tot belangrijkerds zoals de garnizoenscommandant te Maastricht en de directeur van de Staatsspoorwegen die ter plaatse is.

Ik stelde al vast: er zijn, om iets over zessen, in de zondagochtend, onverklaarbaar veel hoogggeplaatste beambten en ambtenaren ter plaatse, die uit Noord-Nederland afkomstig zijn. De Rotterdamse correspondenten kunnen deze aanstonds benaderen en inlichtingen vragen over hun verrichtingen. Maar niemand vraagt waarom deze lieden daar zijn op dat tijdstip. Wie lichtte hen nu weer in? Misschien is het gevraagd. Maar dat dat antwoord steeds off the record moest blijven, is kennelijk jarenlang voor allen vanzelfsprekend geweest, terwijl thans meteen daarnaar gevraagd zou zijn. Er is ook nog het probleem, dat de grens twee keer genaderd is en dat twee keer een grenslinie is gepasseerd: één aan Duitse/Belgische kant en één aan Nederlandse kant. De Duitsers hebben de grensbewakers aan die eerste kant stijf gevloekt en overdonderd met allerlei Mismacherei. Duitsers onder elkaar, waarvan altijd één een opperofficier en de andere een Beierse infanterist met hoogstens de Feldwebelrang.
Die opperofficieren zijn jegens de Nederlandse beambten en ambtenaren onderdanig – voor hun doen, dan – bereidwillig tot toelichting en spraakzaam. Al kletsen ze uit hun nek, omdat ze toelating willen tot vreemd neutraal grondgebied. Ze zijn daarom afhankelijk. En daarom buigen ze, klakken met hakken en zijn beleefd. Voor hun doen dan. De Nederlanders vinden deze Duitse hoog gerangde militairen niet echt beleefd bij deze ontmoeting. En dat laten deze Nederlanders ook wel merken. Ze voelen zich afgesnauwd. Alsof ze ondergeschikten zijn, in hun flodderige uniformen. Ze halen verder in hun rapportage door elkaar wat die Duitsers doen en zeggen aan de Belgische kant dan wel aan de Nederlandse kant. Ze hebben ook de conversatie aan de Belgische kant in het duister horen schallen. Luikerwaalsch. De Nederlandse soldaten uit de streek verstaan dat soms. Ze vertalen dus. Maar de meesten van hen zijn dienstplichtig en komen uit noordelijke streken. Ze vertellen later, als ze verhoord worden, wat er allemaal door die Belgen is gezegd.
Daarover berichten ze, alsof het tegen hén, rechtstreeks, gezegd is. Dat is niet zo geweest natuurlijk, en verder is op het moment dát die Belgen met elkaar ruzie schijnen te maken nog helemaal niet duidelijk waarom dat zo belangrijk was. Niemand van de soldaten heeft geweten wat voor wereldhistorie hier gepleegd ging worden. De meerderen die van elders komen weten het wel. Maar die lichten de soldaten niet in. Soms kunnen ze dat niet, omdat ze Hooghollands spreken. En de Limburgse dienstplichtigen verstaan hén weer niet. Wat bij de Nederlandse grenspost wordt opgedist, begint om twintig over zes. De eerste hoge Duitse officier snauwt dat de “Hollandsche regering” hun komst heeft geregeld. Hij komt uit de eerste stafauto, die staat te ronken, omdat de officieren denken dat ze gewoon door kunnen rijden. De stafauto’s staan in de grensstrook, het niemandsland. De grensbomen aan Nederlandse zijde zijn dicht. Conform instructie. De eerste wagen heeft het Duitse keizerlijke wapen op de portieren. De eerste officier daaruit laat blijken, dat hij de doortocht vanzelfsprekend vindt. De Nederlandse grenswacht heeft niets te vertellen. Hij moet de bareel opheffen. Dat blijkt een vergissing: de Nederlandse wacht zegt dat daarvan niets gezegd is geworden. Hij spreekt geen Duits. Hij zegt iets als “Machen Sie nicht so’n kakkeloeroem!” zo gewaagt de Duitse generaal Von Plessen uit het militaire keizerlijke huis achteraf. Die kan dat niet wisselen. Hij schreeuwt nu nog harder, in de veronderstelling dat zijn snijdend Pruisisch met hoge nasale gieringen dan beter indaalt bij die stomme Hollander. “Rindvieh!” hoort de Limburger meermalen, “Du Lump!”. Dat verstaat hij. Dat pikt hij dus niet.
