De Nieuwe Rotterdamsche Courant, Het Algemeen Handelsblad, Het Volk en De Telegraaf, maar ook bladen als de Noord-Limburger, de Tilburgsche Courier en Het Eindhovensch Dagblad of de Meijereische Courant weten dan al beter. Deze staan in verstandhouding met Engelse, Belgische en Duitse dagbladen. Die berichten heel anders. De Britse pers gaat ervan uit dat de Keizer op Hoog Bevel is uitgenodigd. De bewoordingen wijzen erop, dat daarmee de Kroon of Koningin wordt bedoeld. Maar een rel komt er niet van. Dat kan het parlement op dat moment niet gebruiken. Het zit in de rats voor de socialisten en de bolsjewieken, hier te lande en in Duitsland. Daar raast op dat moment de furie van de Spartacusopstand, Vooral in Berlijn. Waar moet dat eindigen? Ernst Heldring, de belangrijke directeur van de Koninklijke Nederlandsche Stoomvaartmaatschappij te Amsterdam, noemt de toestand in Nederland “vulcanisch”. Maar ook hij denkt, dat de Koningin hier bezig is geweest.

Heldring zat vanaf 25 oktober in Londen. Hij was lid van een delegatie die met de Britten de nijpende voedselsituatie in Nederland, wegens het voortduren van de strenge blokkade moest bespreken. Zijn dagboekaantekeningen daarover zijn uitvoerig. Kon Londen niet wat toegevender worden? Hier en daar was echt sprake van honger, de Spaanse Griep maakte talloze slachtoffers en onder de bevolkingsgroepen broeide het. Heldring, het Engels goed machtig en goed verstaander van de typisch Engelse opvattingen over de oorlog, het democratisch stelsel, het Europese machtsevenwicht en het bolsjewisme, had overal goede ontvangst. Hij had daarom veel blijvende contacten opgedaan. Via de Engelse clubs, maar ook via de landhuizen. Hij had ervaren hoezeer de Engelsen de Keizer beschouwden als een doortrapte oorlogsmisdadiger. Heldring schrijft dat op opnemen van deze man als asylant een ongelooflijk domme streek is, waar niemand in Londen enig begrip voor wil of kan opbrengen. Men vindt een staat die dat wil rechtvaardigen eigenlijk een schurkenorganisatie, a rascal state. Zijn zegsman is vooral Leverton Harris, de onderstaatssecretaris van het ministerie voor Blokkade Een Brits staatsman, waarvan Nederland het in deze periode moet hebben.
Ik maak in deze passus veel gebruik van Heldrings inlichtingen over de verstandhoudingen met de geassocieerde en de geallieerde westelijke mogendheden. Heldring was, naast René de Marees van Swinderen, op dat moment Nederlands gezant bij Groot-Brittannië, in deze dagen en op dit niveau en binnen deze delegatie, zowat de enige die een enigszins dragelijk colloquial English machtig was. Colijn, die in de delegatie sterk domineerde, sprak het abominabel en schoot tekort in technische vocabularium in legal terminology. Zie: C. Smit, Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland, Derde periode 1899-1919, inzonderheid deel V, tweede stuk, uit de Serie ’s Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, Uitgeverij Martinus Nijhoff/Staatsuitgeverij, Den Haag 1971 pp. 703 betreffende de feitelijke gang van zaken. De secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken Snouck Hurgronje had op Colijns taalkundig defect gewezen in een briefje aan Van Karnebeek: “Zijn Engelsch is zeer leelijk, maar voldoende om duidelijk te maken wat hij wil zeggen”. Dat Engels moest dus erbarmelijk zijn, want Snouck sprak het zelf ook beroerd. Niettemin drong Colijn zich steeds bij alle besprekingen op als de centrale woordvoerder voor Nederland. Hoezeer zijn Engels slecht was, in ieder opzicht, was het wel erg duidelijk wat Colijn wilde. Hij gaf voortijdig de ultieme eindstellingen prijs van de delegatie en ook wat voor wisselgeld de Nederlanders nog hadden. Heldring ergerde zich daar overduidelijk nogal aan. Hij had nu de tijd om de Britten te observeren die Colijn onmiddellijk uiterst vriendelijk en charmant volledig inpakten. In de wandelgangen sprak Heldring Leverton daarop ook wel aan. Ik gebruik niet de edities van de serie ’s Rijks Geschiedkundige Publicatiën Vol 117 nr 796 als het om Heldrings delegatieverslagen gaat. Dit, omdat De Vries in zijn bezorgde weergave van Heldrings dagboeken allerlei aantekeningen van Heldring, vaak van hoogstpersoonlijke aard, wel weergeeft en de officiële teksten, herkomstig van Nijhoff/Staatsdrukkerij-Uitgeverij, niet.
De Londense bron is steeds Frederick Leverton Harris, 1864-1926, Parliamentary Secretary to the Ministry of Blockade vanaf december 1916. De functie was speciaal voor Leverton Harris geschapen. Hij had dus veel armslag bij het definiëren van zijn bevoegdheidskring en maakte daar dan ook van hartenlust gebruik. De functie werd opgeheven op 19 januari 1919, al bleef de blokkade gehandhaafd tot eind 1920. Harris moest afreden wegens verdenking van belangenverstrengeling: hij zou oogluikend smokkelpraktijken door Britten via de N.O.T. mede hebben begunstigd uit winstbejag. Ik gaf al aan dat op den duur dit soort smokkel systemisch was binnen deze Trustorganisatie. Harris was getrouwd met iemand die Duitse vrienden en kennissen had aangehouden tijdens de oorlogstijd. Daaronder een zekere Leopold Baron Von Plessen, een familie die ook ten Duitsen Keizerlijken Hove regelmatig ontvangen werd. Deze Leopold was echter van Britse nationaliteit, verworven door naturalisatie bij toelating tot de dominion Australië. De vrouw van Harris zou als koerierster voor deze Von Plessen hebben gefunctioneerd bij het leggen van handelscontacten. Harris vreesde echter niet alle beschuldigingen aan zijn adres als ondersstaatssecretaris te kunnen weerleggen en trad af.
