De geschiedenis van de watergangen in de Madesteinsepolder (onderdeel van het recreatiegebied Madestein in Den Haag) is daarom een boeiend samenspel tussen eeuwenoud polderbeheer en moderne landschapsarchitectuur. De monnikstjaskers die je daar ziet, zijn niet alleen decoratief; ze vertellen het verhaal van hoe Nederlanders al sinds de middeleeuwen vechten tegen (en mét) het water. De oorsprong: De Madesteinsepolder, maar dan als buitendijks kweldergebied. Buitendijks: de geprojecteerde zeewerende dijk van Schieland lag veel meer oostelijk van Den Haag. Men vond dat dat dorp niet beschermd hoefde te worden door dat zeeweringsstelsel omdat het op compactere duinen lag dan de rest van Holland. Terwijl Madestein best ook wel zo nu en dan mocht onderlopen, want daar woonden maar armelijke stakkers die geen droge voeten geborgd hoefden te krijgen vanwege de graaf van Holland. Ze betaalden nauwelijks belasting en te fiscaliseren was er niets. Voordat Madestein een recreatiegebied werd, was het een agrarisch polderlandschap. De polder maakte deel uit van het Hoogheemraadschap van Delfland. Veenontginning: Oorspronkelijk bestond dit gebied uit veen. Om het land geschikt te maken voor landbouw en veeteelt, moesten er sloten en vaarten (watergangen) worden gegraven om het water af te voeren naar grotere boezems.Inklinking: Door die ontwatering klinkt het veen in, waardoor de bodem daalt. Hierdoor werd de inzet van molens noodzakelijk om het water letterlijk “omhoog” te malen naar de vliet. De rol van de Monnikstjasker is fundamenteel voor het polderstelsel dat zich na 1420 gaat ontvouwen. De tjasker is een van de kleinste types windmolen in Nederland. In de Madesteinsepolder hebben ze een specifieke historische en educatieve functie: Eenvoudig maar doeltreffend: In tegenstelling tot grote poldermolens, is een tjasker mobieler en simpeler. Hij bestaat uit een as met wieken die direct een vijzel (de schroef van Archimedes) aandrijft. De “Monniks”-benaming: De term verwijst vaak naar de sobere, eenvoudige bouwstijl die doet denken aan de houten poldermolens die vroeger door kloosterordes werden gebruikt voor kleinschalige bemaling.
Functie in Madestein: De huidige tjaskers in het gebied zijn reconstructies of herplaatste molens. Ze worden gebruikt om water tussen verschillende peilgebieden te verplaatsen, vaak om de natuurvriendelijke oevers en de heemtuin van vers, zuurstofrijk water te voorzien. We wijzen op de herinrichting in de jaren ’70 van de vorige eeuw toen er onbedoeld ook wel afbreuk is gedaan aan het oorspronkelijk ontwateringssysteem. In deze jaren 1970 veranderde de functie van de watergangen drastisch. Den Haag groeide en de polder werd omgevormd tot een recreatiegebied. Vormgeving: De strakke landbouwsloten maakten plaats voor grillige waterpartijen en plassen (zoals de Madesteinplassen). Cultuurhistorie: Om de herinnering aan de oude poldertechnieken levend te houden, zijn de monnikstjaskers op strategische punten geplaatst. Ecologie: De watergangen zijn nu essentieel voor de biodiversiteit. De gemeente Den Haag spant zich in om deze verscheidenheid weer te herstellen zodat ook typische moerasplanten die horen bij verzuurde gronden zich weer gaan vestigen. De thans opgerichte molentjes, die vaak ook stalen onderdelen hebben – – wat natuurlijk niet oorspronkelijk is – – helpen bij het doorspoelen van de kleinere kreken, wat voorkomt dat het water stilstaat en blauwalg krijgt. We staan uitvoerig stil bij de verschillende kenmerken van deze Cisterciënzer Madesteinse Tjaskers en hun kurkentrekkerachtige schroefassen die het water letterlijk naar een hoger plan moeten transporteren om in verzamelboezems geloosd te worden. We geven even te dezen wat technische details van de belangrijkste molengangtjasker op deze kwelderlokatie.
| Kenmerk | Beschrijving |
| Type | Paaltjasker (de molen draait in zijn geheel om een paal) |
| Aandrijving | Windenergie via vier wieken |
| Waterverplaatsing | Via een houten of stalen vijzel |
| Locatie | Vaak nabij de pluktuin en de historische waterlijnen |

