De sergeant Pinckaerts aan de Nederlandse grenszij 1918

Maar zijn Limburgs is voor de officier goed verstaanbaar. Het betreft de Limburger Gilles Braeken. Hij is onvermurwbaar en koppig, ook als de Duitsers beginnen te tieren zonder ruzie te willen maken. Zijn maat kijkt goed rond naar de acht andere auto’s die langzamerhand stilvallen. Het gekijf houdt aan, zodat Braeken deze maat, Sjeng Geyselaars, vraagt naar het wachtlokaaltje te lopen. Daar knapt verantwoordelijk sergeant Pinckaerts een uiltje. Dat mag niet. Maar iedereen doet dat op zijn beurt: de nachten zijn lang, donker, koud en vervelend. Sjeng wil later zijn sergeant niet verraden en sjoemelt wat met tijden en diens aanwezigheid bij de grenspost. Later, als er naar gevraagd wordt omdat de handelingen en het gedrag van Pinckaerts ineens onzettend belangrijk worden. Omdat iemand ergens de schuld van moet krijgen, iets wat op dat moment naar strekking niet onderkend kan worden. Pinckaerts moet beslissen, wat de bewakers moeten doen.

De tweede wagen was zwaar bemodderd op spatborden en bumpers. Het kenteken was onleesbaar, de rangonderscheidingstekenen die de motorkap van dergelijke automobielen plachten te sieren waren weggehaald. In de passagierscoupé zat een manspersoon, weggedoken in de zware bontkraag, de oorbeschermingsmuts rond wangen en slapen en de officierspet naar voren geschoven. Uit de voorste wagen sprong, schneidig, die officier, die de wat suffe grenswachter aanblafte terstond de slagboom op te halen, want een belangrijk diplomatiek gezelschap wenste doortocht naar Den Haag. Het was voor vredesonderhandelingen, verduidelijkte de officier. De wacht, sullig als een Nederlands soldaat, sloeg niet onderdanig aan en vroeg de man, zich te legitimeren. “Mensch, sehen Sie nicht dass Ich ein Deutscher General bin?” was het snauwende wederwoord, waarop de officier de rode kraagspiegels met het gouden eikenloof toonde onder zijn opgeslagen jaspelerine.

De wacht dus – de grenswachtsoldaten Sjeng Geyselaars en Gilles Hubertus Braeken — alarmeerde nu de “sersjant van piket”, die “de majoor” er nu bijhaalde, een zekere sergeant-majoor Pierre Pinckaerts (ook wel gespeld als Pinkers, Pincaers of Pincerts), die de kunst van het telefoneren machtig was. Want hier moest hogerhand bijkomen, het ging de wacht boven de pet. Pinckaerts vroeg andermaal naar de doorlaatpas, zoals de instructie was. Pinckaerts kende de consulaire doorlaatpassen, die afgegeven werden te Luik, Brussel en Antwerpen. Die waren geldig.  Dat wist Pinckaerts heel precies. Die was er niet. Wel heel veel indrukwekkende papieren met stempels en zegels, maar geen doorlaatpas. De de kolonel of generaal gaf op dat het gezelschap was aangekondigd door de Nederlandse gezant te Brussel en eiste op hoge toon wederom toegang. Wat ze komen doen, willen ze niet zeggen. Namen willen ze niet noemen. Ze zijn Duits generaal, dat is wat ze kwijt willen. Ze moeten naar Maastricht, naar de garnizoenscommandant aldaar. Ze willen daar geïnterneerd worden. Maastricht weet ervan. Dus Pinckaerts moet nu opschieten en de grensboom ophalen! Pinckaerts toont zich niet geïntimideerd. Hij weet niet, wat hij nu moet doen.