Dijkende Benedictijnen I

Holland is geworden tot het land ontworsteld aan de baren door een enorme interregionale Groote Dijkagie door Benedictijner monniken uit Egmond. Ze legden eerst zeeweringen aan noordwaarts naar Den Helder. En vervolgens dijkten zij zuidwaarts, naar Leidschendam, voor Delft langs naar Schiedam en Rotterdam. Van daaruit naar Hillegersberg, Gouda, Woerden en Vleuten. Tot voorbij Utrecht. Tot aan de Heuvelrug aldaar, een stuwwal uit de laatste IJstijd. Bij Hohorst noordelijk Amersfoort stopten ze. Daar zaten ze hoog en droog. Voorlopig.

Daarna gingen ze vooral binnendijks polderen. De Groote Ontginning. Die poldergronden verpachtten ze tegen de tienden van de oogsten. Buitendijks werd weer gekwelderd. Dat werd vooral gedaan door Cisterciënzers, die meer de fraters voor het barre grondwerk waren. De Reformatie in de zestiende eeuw maakte aan deze interregionale projecten, waarvan de Lage Landen zo’n vrucht konden dragen in ieder opzicht, abrupt een einde. De Republiek van de Zeven Verenigde Provinciën pakte het waterstaatswerk op rijksniveau nimmer op. De gewesten deden dat.

Maar die keken alleen naar hun eigen grondgebied. Een gemeenschappelijk concept van aanpak bleek ondoenlijk. Pas bij de Bataafsche Republiek in 1796 kwam er een departement voor de rijkswaterstaat. Maar die merkwaardige republiek was failliet. Ook al omdat het onmogelijk bleek te komen tot een uniform belastingsysteem ten aanzien van de directe belastingen. En vooral omdat de Fransen een duur bezettingsleger deden inkwartieren. In de negentiende eeuw kwam het evenmin tot een echte rijksaanpak van de nationale waterstaat. Het gebeurde alleen maar projectmatig.