Dijkers V

Hoe is deze dijkage eigenlijk gegaan? De mysterieuze Dirk I, zich noemende “Graaf van Holland”, vat in de vroege middeleeuwen het plan op om het land achter de duinenrij waarover hij het feitelijk soeverein gezag uitoefent te gaan inpolderen. Dat land bestaat uit veel kreken, meren, plassen, beken en weteringen, die alle met de zee in verbinding staan. Het loopt bij vloed onder water. Soms blijven alleen wat schimmige terpen en verhogingen vrij van dat brakke water dat verzilt en de vruchtbaarheid van dat land ondermijnt. In de negende eeuw hebben Benedictijner monniken in de Vlaamse Westhoek wonderen van dijkages en inpolderingen verricht.  Het gewonnen Vlaamse land komt onder de beheersmacht van de Westfrankische Koningen. Die geven de polders uit in leen aan hun vazallen die het in cultuur brengen.

De Koningen heffen belastingen over de oogsten en de geweide en gehoede veestapels. De vazallen innen die. Ze mogen van deze “tienden”, zoals de heffingen heten, provisie inhouden.  De vazallen worden daardoor beambten van de Koningen. Ze voeren een fiscale administratie voor hen. Er komen belastingregisters, aanslag-cohieren en bevolkingsregistratie. Door dat kunstje krijgen de Koningen effectieve controle op dat land. Dat wil Dirk ook. Hij wint de erkenning van zijn landsheerlijk gezag bij de Westfrankische Koning Karel de Eenvoudige.  Hij bevordert daarom de stichting van een Benedictijner mannenabdij te Egmond. Er komt een kerkje. Daarin het lichaam van de metgezel Adelbertus, vriend van Willibrordus, de eerste missionaris van de Nederlanden. Dat is om de legitimiteit van Dirk kerkelijk te bevestigen.  Die monniken gaan, als hun Vlaamse broeders, dijken en polderen. Zuidwaarts.

Richting de Mer-wede. Dat is een enorme onafzienbare zee-arm.  Met uitmondingen naar zee tussen de door zeehonden bevolkte zandplaten gelegen bij de Hoek van Holland en Walcheren. De bisschop van Utrecht zet de Benedictijnen van de Sint Paulus-abdij in de nederzetting Utrecht tot gelijke polder-arbeid. Ze werken schoppenrinkelend in het glinsterende brakke land westwaarts, hun Egmonder broeders tegemoet. Ze leggen de legendarische Oude Dijk door Zuid-Holland. En hun Egmonder collegae de Schielandse Zeedijk. Beide dijklichamen zijn nog zichtbaar als glooiende verhogingen in het Hollandse groene land. Daar waar de broeders elkaar aannaderen komt een groot pakhuis vol poldergereedschap, rietmatten, palen, planken en zware bazaltstenen, hennepvlechtwerk, teergerei en platbodems voor transport. En, o ja, een afgeschoten ruimte om de eucharistie te vieren. Ter herinnering van Hem in wier naam Benedictus besloot tot de organisatie van zijn Orde. Een koor met altaarsteen. Daar, op de plaats van dat pakhuis, wies later De Laurens. Rotterdams’ Stadskerk.