De Laurens is van oudsher Rotterdams stadstycoon. Tegenwoordig moet je wel even zoeken om de stadskerk van Rotterdam te vinden. Het gebouw was in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog echt wel onderdeel van het stadscentrum. De brede, massieve en robuuste toren stak wenkend boven de omringende gebouwen uit. Wie haar zag, moest denken aan de Rotterdamse bootwerker en havenarbeider, die zijn overhemden kocht in de winkels met reeds opgerolde mouwen. De toren was, als de kerk zelf, stoer en helemaal zonder kapsones. Je kon eraan zien dat aan haar voet in nationaal verband het geld verdiend werd dat Amsterdam uitgaf. Haar klokken luidden voor de hele stad, ongeacht godsdienstige denominatie. De Hoogstraat liep er als een kolkende winkelstraat vol vertier en neringdoenden vlak naast, de kerk hoorde gewoon bij het centrale stadsmeubilair, al gingen er maar weinigen devoot ter liturgische zelfreiniging binnen. De ontkerkelijking was sedert de onstuimige groei van de Rotterdamse havens in 1900 wassend, een kennelijk natuurverschijnsel zoals de overstromingen jaarlijks van het deel, dat “De Waterstad” heette: het gebied tussen Haringvliet enerzijds en Schiedamse Dijk anderzijds.

Dat laatste fenomeen kon enigermate bedwongen worden door vloedplanken, waarvoor de patriciërsgebouwen aan de havens, nog aangelegd op last van Johan van Oldenbarneveldt, Rotterdams geduchte stadspensionaris, sleuven hadden in de gevelwanden. Alleen bij springtij kwam het water gulpend de kelders en pothuizen binnen. Het eerste verschijnsel scheen schier ontembaar. Kerkelijke gezagsdragers trachtten dat tij te keren, maar hun acties hadden weinig effect. De kerkklokken in de Laurenstoren bleven echter pront hun uren aftellen en het carillon de zilte luchten doortinkelen. De Rotterdammer, altijd haastig, onderbrak dan toch even de pas en wendde zich om, want dat geluid hoorde zo innig bij het volgepropte stadsmidden.
De Tweede Wereldoorlog brak met deze geregelde gang van zaken. Het bombardement van 1940 is nog steeds een trauma. De stadsvernieuwing werd rigoureus aangepakt. De Rotterdammer kocht zijn overhemden nog steeds met opgerolde mouwen. De stadswaterkering werd honderden meters verlegd, westelijk, veraf van de Rotte-dam onder de Hoogstraat, daar waar het toenmalig geklonken, gedeeltelijk gietijzeren, spoorviaduct die winkelstraat hoog-over kruiste. De Moriaanshol was daar: “de” Hol, want de Rotterdammer gebruikt, naar gelang de hellingshoek van de glooiing in de straat, dit bepalend lidwoord, om aan te geven dat je enige kracht moet zetten om de hindernis te nemen. Menig paard van de sleperskarren kwam dan ook hier bij ijzeling ten val, nog in de zestiger jaren van de vorige eeuw. De Rotterdammers dromden samen, hielpen het sidderend snuivend ros overeind en susten de vloekende voerman en weerhielden hem het dier tegen de flanken te schoppen. En de Laurens zag mild toe en zag dat het goed was.
Het centrum was het stadshart niet meer en de Laurens stond niet meer in het midden. Er was zelfs het idee om het bedehuis dat nog slechts een gammel casco was, maar helemaal af te breken. Je kon het wel herbouwen, ‘tuurlijk wel, maar wat hebbie der an? Dat werd, bijwijze spreke, dan allenig maar een soort mini-Efteling, want origineel was er bijna niks maar van over, van die Laurens. Koop-ie d’r voor? Koop-ie niks voor”.
Gelukkig ging het niet door, dat afbreken. Ze werd gerestaureerd, de stadskerk, oneindig traagzaam, oneindig secuur, oneindig voorzien van moderniteiten zodat die restauratie geen restauratie meer leek. Maar ze verrees, De Laurens, al bleef ze terzijde staan, enigszins
