Dijkers IX

De Abt kon over zo’n grootschalig project niet alleen beschikken. Het was vooral iets nieuws, zo’n enorm plan. Dat ook diepte-investeringen over decennia en misschien eeuwen zou vergen. Hij raadpleegde daarom eerst congregaties in de buurt van zijn Orde. Waaronder de Benedictijner polderaars in de Vlaamse Westhoek. Die hadden tenslotte waterstaatstechnische ervaring. En die hadden inmiddels een bestuurlijke verhouding op weten te bouwen met de Graaf van Vlaanderen. Die Graaf was in de negende eeuw nog in opperbeste verstandhouding met de Benedictijner Orde, want ook die Graaf moest schipperen met een Koning van de Franken die bezig was met een annexatie-politiek noordwaarts. Waarbij hij zo nu en dan ook optrok via de linkeroevers van rivieren zoals de Schelde en De Maas. Het was zaak dat de Orde niet verzeild raakte in de militaire schermutselingen die dat op bleef roepen in het gebied dat paalde aan het diocese van de Bisschop van Luik. Dat was nu precies ook wat de Egmonder Abt duchtte.

Hij vertrouwde het sujet dat zich kennelijk Graaf van Holland wilde noemen niet zo heel erg. En hij wist ook wel dat hij zou gaan opereren in het diocese dat toegedacht was door Rome aan de Bisschop van Utrecht die op dat moment ook vaak via militaire brigades opereerde in Holland. Hij liet een Groot Kapittel bijeenkomen van de Orde zelf om af te stemmen of hij niet te veel risico’s liep en of hij niet te veel hooi op zijn vork zou nemen. Maar het leek er op dat dit plan dienstig zou zijn aan het wereldlijk welbevinden van de immer strijdende kerk. De Orde besloot dat Egmond zou kunnen beginnen indien de Heilige Stoel in abstracto groen licht gaf. En verder dat alles gedaan moest worden met de instemming  van en na overleg met de bisschoppelijke kanselarij te Utrecht. Dat zou kunnen, door Rome alvast een concept-concessie te vragen waarin het hele voorgenomen traject werd opgegeven. Hij kon dan alvast starten, op proef, binnen het grondgebied dat de man die ridderschap claimde en beweerde Graaf te zijn van Holland kennelijk in eigendom had gegeven aan de Egmonder Abdij.

Dat grondgebied scheen royaal bemeten, daar was de Abt dus al jaren zoet mee. Hij kon daar dan alvast starten met dijkageproeven, want dat er geëxperimenteerd zou moeten worden was zeker. In het noordelijkste gebied van dat Holland was die Graaf voorlopig nog niet echt actief — hij scheen bezig te zijn ergens zuidelijk in de duinen een paleis te bouwen op strandwallen — dus als het traject noordelijk vlak langs de zee bleef lopen, dan liep Egmond niet veel risico’s op acute jurisdictieconflicten. Met die verwaaiende duinen kon die Graaf toch niet zoveel. Dat had hij zelf aangegeven. De Abt kreeg dus machtiging om te beginnen en liet een dijkparkroute uitzetten.

Die begon met grondverzet noordwaarts in calamiteus gebied. Rampgebied. Letterlijk. Gronden die tóch steeds maar verder onderliepen.. Ze legden eerst zeeweringen aan noordwaarts naar Den Helder. En vervolgens dijkten zij zuidwaarts, naar Leidschendam, voor Delft langs naar Schiedam en Rotterdam. Van daaruit naar Hillegersberg, Gouda, Woerden en Vleuten. Tot voorbij Utrecht. Tot aan de Heuvelrug aldaar, een stuwwal uit de laatste IJstijd. Daarna gingen ze vooral binnendijks polderen. Die poldergronden verpachtten de monniken vanuit hun kanselarij , geheel volgens plan,  tegen de tienden van de oogsten. Buitendijks werd weer gekwelderd. Dat werd vooral gedaan door Cisterciënzers, die meer de fraters voor het barre grondwerk waren. De Reformatie in de zestiende eeuw maakte aan deze interregionale projecten, waarvan de Lage Landen zo’n vrucht konden dragen in ieder opzicht, abrupt een einde.