Wilhelmina wist zich innig verbonden door een dynastieke band met Wilhelm II van Hohenzollern die zich óók “prince d’ Oragne” mocht noemen en dat ook vaak openlijk deed. Zij wist van hem een
persoonlijke garantie los te peuteren dat Nederland door de Duitsers met rust gelaten moest worden. Wilhelm krabbelde dat in zijn eigenaardige hanepoten op in de marge van een zijner opmarsorders gericht tot het westwaarts optrekkend leger. En dan was daar nog de logge gestalte van Prins Hendrik, de prins-gemaal. Die was Duits officier geweest in het landleger van Mecklenburg. Dat kon hij niet vergeten, en ook niet dat hij een eed op zijn “Oberster Kriegsherr”, Keizer Wilhelm II, had gezworen. Hij bezocht gaarne Duitse oorlogsgewonden in Nederlandse ziekenhuizen en kwam Duitse geïnterneerden steeds landsvaderlijk een riem onder het hart steken. Hij bezigde daarbij bewoordingen die zijn nationale herkomst en sympathieën niet verhulden. Steeds de man op de verkeerde plaats bij de verkeerde aangelegenheid. Op 7 augustus 1914 begaf hij zich bijvoorbeeld, als voorzitter van het Nederlandse Rode Kruis, naar Maastricht. Het doel was, volgens de perscommuniqués, om vluchtelingen, gewonden en militairen afkomstig uit het strijdgebied op Belgisch grondgebied, te bezoeken die naar Nederland waren overgebracht of daarheen waren gekomen.

Maar Hendrik bleek onevenredig veel aandacht te besteden aan militairen uit Mecklenburgse regimenten, dus uit het vorstendommetje van Hendriks familie. Er was onder de doden een zekere graaf Adolf-Heinrich von Arnim, overleden aan de gevolgen van een granaatscherf in de wervelkolom. Heinrich verzocht het lijk te mogen bezoeken, liet het kisten en nam de scherf mede. Daarover werd in de geallieerde pers gedetailleerd bericht. Welke andere lijken de prins had willen zien, welke kisten hij had doen openen en welke eerbewijzen hij had gegeven en hoe. Het kabinet was er ongelukkig mee. Maar afstoppen of remmen, dat kon zelfs Hendriks echtgenote hem niet. In een ongelukkig moment dat hij een Duits interneringskamp bezocht, terwijl het ging om gedetineerde Belgische soldaten, wist Hendrik de gemoederen zo te activeren dat de Belgische soldaat-koning Albert het Wilhelmina nog lang bleef nadragen.
Heinrich bleef dit soort kunsten de hele oorlog lang flikken. Zo bezocht hij de Duitse geïnterneerde U-bootbemanningen die in de Nederlandse territoriale wateren waren opgepikt en aan land gebracht door de Nederlandse kustwacht uitvoerig en meermalen, daarbij hóóg opgevend van hun dapperheden, hun Kultur, hun Kriegswichtigkeiten en de geweldige inzet van de onbeperkte duikbotenoorlog op de Atlantische oceaan. Dat viel in Londen niet echt heel erg goed, vooral niet omdat Berlijn ook koopvaardijschepen genadeloos naar de kelder liet jagen ongeacht welke vlag ze voerden. Daaronder ook Nederlandse beurtvaartschepen op Nederlandsch-Indië. Whitehall liet de Britse ambassadeur op Het Voorhout regelmatig protesteren tegen deze vergrijpen tegen de Londense Zeerecht-Declaratie van 1908. Maar het hielp geen barst. Wat de uiterst zorgvuldige minister van Buitenlandse Zaken ook aan te merken had op haar Hendrik, Wilhelmina gaf openlijk geen krimp. En nu stond die verdomde Keizer van dat gedoemde land ineens bij Eijsden en beriep zich op een invitatie van Wilhelmina om binnen te mogen?
