De EDG behelsde dus de oprichting van een zelfstandig en autonoom opererend Europees leger dat onder bevel moest komen te staan van een supranationaal Europees politiek gezagsorgaan en dito opperbevel. De term “Gemeenschap” was gekozen omdat men een regeling wilde die analoog was aan die voor de Europese Economische Gemeenschap (EEG), de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) en de Europese Gemeenschap voor de doorontwikkeling van Atoomenergie (EUratom). De rechtspersoonlijkheid moest hetzelfde zijn, de organografische opbouw van de bureaucratie op ambtelijk niveau, de overdracht van de interne soevereiniteit voor het statutaire doel dat de Gemeenschap zou nastreven, de democratische legitimatie van de besluitvorming, de contributiesleutels en de financieringsmodaliteiten. Men wilde in deze opzichten aansluiten bij het Romeinsrechtelijke begrip voor de rechtspersoonlijkheid van het doelvermogen: de universitas. De oprichtende staten, zes in het getal, waren met dat begrip al van oudsher bekend. Engeland zou voorshands niet meedoen. Dat was erg jammer, reeds omdat het al een militair nucleair ontwikkelingsprogramma was begonnen en Frankrijk nog niet. Dat wilden de Britten ook zo houden. Het ging dus om een afgezonderd doelvermogen, in te zetten voor de defensie van Westelijk Europa zoals deze zes staten deze taakstelling verstonden, waarbij, voorlopig althans (dan zou men later nog wel kijken hoe dat werkte), Frankrijk het Mobiele Veldleger zou beheren. Dat zou Duitsland dus moeten slikken. Want eigenlijk kon Duitsland over veel meer jonge lichtingen van mannelijke vitale adolescenten beschikken en ook veel sneller mobiliseren. Vergelijkenderwijs lag dat dus niet voor de hand. Maar discussie daarover ware te vermijden. En dat kostte ook al destijds veel moeite want die Bondsrepubliek kon veel en veel meer lichtingen van strijdbare jongelingen van hoog moreel en groepsgebonden gehalte opbrengen dan Frankrijk dat van de ene crisis naar de andere wankelde, ook al omdat het buitengewoon ongelukkig dekoloniseerde met veel onderlinge wrok, haat en bestendig wantrouwen tussen de demografische strata. Maar goed, dat Frankrijk niet de mooiste en de belangrijkste zou zijn in dat Europese Leger, dat was voor Parijs onbespreekbaar.
Het doelvermogen zou in communautair verband beheerd worden, met een supranationale politieke verantwoordelijkheid jegens een nog op te richten Europese Volksvertegenwoordiging. En dáár zat nu juist ook weer de kneep, net als tegenwoordig bij de Europese Unie. Want zou die verantwoordelijkheid zich ook uitstrekken tot de tactische manoeuvres die door ieder van de krijgsmachtonderdelen waren op te zetten en voor de algehele strategie? Zou dus de Generale Staf met zijn verenigde chefs van staven aan dat parlement volle verantwoording schuldig zijn? Zouden dus ook staatsgeheimen daar bloot gelegd moeten worden? Frankrijk, zijn traditie getrouw, had er op dat terrein ten aanzien van de koloniën al weer flink wat ontwikkeld en daarbij houde men in het oog, dat deze Franse wingewesten ook lagen destijds in Centraal-Afrika en nog steeds in Indo China. En verder beseffe men dat Parijs weer eens bijzonder eigenzinnige denkbeelden had ontwikkeld over wat het communisme inhield, hoeveel communisten er waren en wat hun internationale gelaagdheid allemaal mede omvatte. En dat Parijs zijn betere inzichten daaromtrent niet wilde openbaren en ook niet verdragstechnisch een plicht om dat uiteindelijk toch te doen wilde endosseren aan Eurocommissarissen die in dit opzicht de Gallische subtiliteiten per definitie niet zouden kunnen volgen. In 1968 zou dat nog weer eens navrant uitkomen in de Franse Algerije-politiek. Die Duitsers nu eenmaal nooit zouden kunnen begrijpen. Alweer. Anderen ook niet, maar daar ging het nu even niet om.

De ingewikkelde en redelijk tegenstrijdige onderhandelingen hierover leidden binnen twee jaar tot een verdrag dat op 27 mei 1952 getekend werd door de regeringen van West-Duitsland, Frankrijk, Italië, België, Nederland en Luxemburg. De preambule van het verdrag stelde dat de EDG gericht was op het handhaven van de vrede, door de geestelijke en spirituele waarden van West-Europa te beschermen tegen iedere vorm van agressie. Zulks, in nauwe samenwerking met andere organisaties die hetzelfde doel nastreefden. De beoogde lidstaten vonden dat een gemeenschappelijke defensie het beste instrument was om de militaire bedreigingen extern snel en effectief het hoofd te bieden. Er moest bovendien een gemeenschappelijke begroting komen. Met gemeenschappelijke bewapeningsprogramma’s zouden de beschikbare gelden zo efficiënt mogelijk besteed worden. Een gezamenlijk leger zou het nationale patriottisme niet verzwakken, maar juist consolideren en de nationaliteiten met elkaar in harmonie brengen. Artikel 2, lid 3 van het verdrag bevatte de afsluitende solidariteitsclausule in het zicht waarvan alle verdragsartikelen plichtmatig geïnterpreteerd moesten worden. Daarin stond dat agressie gericht tegen een van de lidstaten of tegen de Europese krijgsmachten zou worden beschouwd als een aanval op alle. Een héél credo.
De lidstaten en de Europese krijgsmachten zouden deze lidstaat bijstaan met alle – militaire en andere – middelen waarover zij beschikten. Het Europese leger zou bestaan uit veertig divisies, die gevormd werden door de legers van Frankrijk (14 divisies), de Bondsrepubliek Duitsland (12), Nederland, België, Luxemburg (samen 6) en Italië (12). De divisie moest de militaire basiseenheid worden. Elke divisie zou worden samengesteld uit personeel uit hetzelfde land. De gemeenschappelijkheid moest worden bereikt door gelijke opleiding, gelijke rechtspositie van militairen, gelijke uniformen met dezelfde rangonderscheidingstekens en een enkel nationaliteitskenmerk (artikel 15). De lidstaten spraken af dat zij er buiten de troepen voor de EDG geen eigen eenheden op na zouden houden, behalve militairen en vlooteenheden voor de bescherming van niet-Europese gebieden (Algerije, Suriname, de Nederlandse Antillen), de kustwacht, de lijfwacht van het staatshoofd of de gendarmerie (artikel 10 en 11). Institutioneel moest de Europese Defensiegemeenschap er uiterlijk ongeveer uitzien als de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Een Europees Commissariaat met negen commissarissen die onafhankelijk konden opereren van de nationale regeringen, zou de politieke verantwoordelijkheid en de uitvoerende macht dragen. Het Commissariaat zou onder toezicht staan van de Raad van Ministers waarin van iedere lidstaat een minister zou worden afgevaardigd. De Raad van Ministers zou de begroting voor de gemeenschappelijke defensie vaststellen.
