Emmaüsgangers 2026

De geschiedenis van de Emmaüsgangers (Lukas 24) is inderdaad weer eens een bevreemdend verslag dat de grens tussen het fysieke en het geestelijke aftast. Maar zonder baat, zonder adequate oplossing. De theoloog in ons stelt een scherpe vraag: betekent hun aanvankelijke blindheid dat Christus na de opstanding nooit meer puur “fysiek” als tijdgenoot waargenomen kan worden?

Om dit te beantwoorden, moeten we kijken naar hoe de tekst dit fenomeen verklaart en wat de theologische implicaties daarvan zijn.

De “Gesloten Ogen” en het Verheerlijkte Lichaam

Volgens het verslag in Lukas lag de oorzaak van het niet-herkennen niet alleen bij Jezus, maar ook bij de discipelen zelf. De tekst zegt letterlijk: “Maar hun ogen werden vastgehouden, zodat zij Hem niet herkenden.”

  • Het Verheerlijkte Lichaam: In de christelijke traditie wordt geleerd dat Jezus na de opstanding een ‘verheerlijkt lichaam’ had. Hij was geen geest (hij at immers vis en liet Thomas zijn wonden voelen), maar hij was ook niet meer gebonden aan de beperkingen van de natuurwetten zoals wij die kennen. Hij verscheen en verdween naar believen.

  • Spirituele Blindheid: De discipelen waren diep in de rouw en hun verwachtingspatroon was gebroken. Zij zochten een dode leraar, geen levende God. Hun “tijdgenoot” Jezus paste simpelweg niet in het plaatje van de vreemdeling die met hen meeliep.

Herkenning door Handeling, niet door Uiterlijk

Het cruciale moment in het verhaal is dat de herkenning niet plaatsvindt door hem simpelweg goed in het gezicht te kijken, maar door een specifieke handeling: het breken van het brood.

Dit suggereert dat Christus voor zijn tijdgenoten (en volgens de leer ook voor latere generaties) pas echt “zichtbaar” wordt in de gemeenschap en in de tekens die hij naliet. De fysieke gestalte alleen was blijkbaar onvoldoende om de volle identiteit van de “Christus” te vatten.


Conclusie: Een andere manier van ‘zien’

Betekent dit dat men hem nooit als fysieke tijdgenoot kan zien?

  1. Historisch gezien: Voor de discipelen was hij fysiek aanwezig; ze raakten hem aan en hoorden zijn stem. Maar de “fysieke” waarneming was ondergeschikt aan de geestelijke openbaring. Zonder dat laatste bleef hij slechts een anonieme wandelaar.

  2. Theologisch gezien: Sinds de Hemelvaart is de doctrine dat Christus niet meer fysiek op aarde rondwandelt zoals een gewoon mens. Men ziet hem nu “door het geloof” of in de medemens (“Wat gij voor de minsten van de mijnen hebt gedaan…”).

De Bijbel suggereert dat een puur vleselijke, fysieke observatie nooit genoeg is om Christus werkelijk te “zien” voor wie hij is. Er is altijd een moment van openbaring of ‘herkenning’ nodig dat het puur visuele overstijgt.

Vind je dat deze noodzaak tot “openbaring” de historische realiteit van Jezus als mens verzwakt, of maakt het zijn aanwezigheid juist tijdlozer? Ik bak er geen brood van. Zoals bijna steeds. Dit verhaal was beter ongeschreven gebleven. Maar de christenheid heeft het angstvallig gehandhaafd tot in de zesde eeuw. Toen kwam het in de Volksbijbel, in de Vulgaat. En moet weer meer vragen dan antwoorden hebben opgeroepen, maar vermoedelijk werd er destijds ook niet goed geluisterd in de kerk.