Het is een interessant beeld dat zich aan je voordoet, als je denkt aan die enorme Groote Dijckagie onder leiding van de Benedictijner Orde die een traject uitzet dat twee monnikcongregaties — één uit Egmond en één uit Hohorst net achter de Utrechtse heuvelrug — op weg doet gaan door het bossenrijke Holland. Ze moeten elkaar tegemoet dijken. Dan zullen ze elkaar ontmoeten bij de wetering De Rotte. Daar moeten ze een dam slaan. Die deze Rotte definitief afsluit van de steeds groeiende zeemond, de Mer-Wede. Want die stroomt steeds verder landinwaarts. Er zijn steeds langduriger vloeden en dat zeewater verzilt de gronden. Het zorgt er ook voor dat planten afsterven, die enorm gaan rotten en stinken, en verder komt er zo niets terecht van enige wegenstructuur. Bij de geprojecteerde dam zit al een expeditionaire ploeg die deze dijkers moet voorzien van instructies, beddingplannen voor de lijklichamen, voorraden bazaltkeien, riettenen matten, geïmpregneerde palen, plantaardige touwen, ossen die platte egaliseringsrasters voorttrekken, en natuurlijk veel proviand, want hier is bijna geen eten dat kant en klaar is te bekomen.

Hier is Hollands meest bedreigde punt. Vandaar ook die dam, met daarin gelegd ingewikkelde duikersluizen die alvast gereed moeten worden gemaakt voordat de dijkers uit het westen en het oosten elkaar samentreffen. Want dan moeten ze overeenkomen hoe de polderingen moeten plaatsvinden landinwaarts. Als de Groote Schielandsche Zeedijk gesloten is. Hoe moeten die agrarisch bewerkt worden? Hoe moeten die beheerd worden, volgens welke regels? Wie is dan verantwoordelijk voor de dijkparken, de ontwateringsmolens, de watergangen die het binnenwater moeten afvoeren naar de sluizen? Het is ingewikkeld. Maar er zijn binnen de Orde geoefende kondschapsdiensten die boodschappen over-en-weer kunnen brengen over vorderingen, stremmingen, tegenvallende trajecten, herrie met de inheemsen. Dat gebeurt in het Vulgaat-Latijn, het Volkslatijn. Dat spreken ze binnen die Orde en dat is een pan-Europese taal.
Kunstmatig, zeker, maar precies en van een ruime woordenschat met bijpassende grammatica. In de dertiende eeuw is dat gelukt, dat plan. Rond 1270 vindt die samentreffing bij die dam plaats. Er wordt vergaderd over de poldering, en de bekweldering die nu mogelijk is. Want nu de dam gesloten is ontstaan buitendijks, zuidwaarts, enorme aanslibsels met hechte klei-afzettingen. Dat zijn de kwelders, die met het jaar groeien en ophogen. Ze kunnen waarachtig omdijkt worden. De rivier verlegt zich daardoor, die Mer-Wede. Ze wordt in een bedding bedwongen. Bij de dam ontstaat hecht nieuw land. West-Nieuwland en Oost-Nieuwland. Bij de Rotterdamse stadsarchivaris Robert Fruin vindt men deze dijkage wel besproken. Terloops. Een beetje achteloos.
Terwijl het hier gaat om een interregionale projectontwikkeling die Holland uiteindelijk economisch levensvatbaar maakte. Want het hart van de nijverheid ligt in deze dertiende eeuw in West-Vlaanderen en dat klopt onstuimig. Fruin bespreekt de dammen in het traject, De havenbekkens die nu gegraven worden. De heulbruggen, de overtomen, de verlaten, de sassen en spuien die nu aangelegd worden. Maar geen woord over die Orde. Haar ingrijpen, haar planningen, haar greep op het personeelsbestand en de logistiek. En dat komt omdat Fruin deze heilzame tussenkomst van deze Orde moet negeren. Hij moet suggereren dat dit alles is georganiseerd door de Graaf van Holland. Die zal in de zestiende eeuw de Prins van Oranje zijn, Willem de Zwijger. En die heeft daarom de eer van dit werk. Niet persoonlijk. Maar als dynastie.
