De Nederlanders werden terstond na de militaire capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 met twee gegevens geconfronteerd die voor hen eigenlijk onaanvaardbaar waren voor ziover het ging om het Archipelgebied dat tot 8 maart 1942 door hen als koloniaal territoir mocht worden bezien. Ten eerste: De Amerikanen en de Britten kwamen onderling overeen, dat de USA niet langer verantwoordelijk zou zijn voor de feitelijke bevrijding van dat territoir, maar de Britten. Ten tweede: de Britten misgunden eigenlijk op dat moment de Nederlanders dat territoir. De USA was overduidelijk een overheersende expeditionaire macht, die zich kon baseren op kortere aanvoerlijnen en uitmuntende logistiek. De Amerikaanse soldaten stonden tot aan de knieën in de voorraden en de tranportmogelijkheden. Maar de Britten waren aan het eind van hun deerlijk Latijn. Ze waren wel overwinnaars, maar hadden troepen en marine zo goed als opgestookt in die regio. Verder was overduidelijk dat Brits-Indië op de rand wankelde van volksopstanden die in een burgeroorlog kon uitmonden tenzij overhaast een soort van finale onafhankelijkheid aan Brits-India werd beloofd. Met allerlei overgangsregelingen en nationaliteitsopties voor de Indische bevolking, zeker, maar toch een soevereniteitsoverdracht die het Indisch territoir volkerenrechtelijk los zou maken van de eilandengroep bij West-Europa. De Engelsen konden geen effectieve bezettingen meer legeren binnen dat territoir, de socialisten onder Clement Attlee eisen onmiddelijke demobilisaties. Daarom hadden de Engelsen nauwelijks troepen over om de Nederlandse Archipel feitelijk te bevrijden en daarbij overal de openbare orde, rust en veligheid adequaat ter verzekeren. Daartoe hadden ze alleen brigades beschikbaar samengesteld uit Ghurka’s en Sikhs. En aan de loyaliteit daarvan werd door Whitehall sterk getwijfeld. Verder verdacht Whitehall Den Haag ervan, dat het niet bereid was om echt een begin te maken met de overeengekomen dekolonisaties zoals al eerder beloofd bij het Atlantisch Handvest van 1941. Daarvoor had het dit immens koloniale gebied te zeer nodig, nu het op de rand van het faillisement stond.

De Duitsers hadden Nederland totaal uitgewoond. Daarom liet Whitehall geen Nederlandse expeditionaire brigades toe tot Java. Tot 1946 was Whitehall niet bereid mede te werken aan de Nederlandse oversteek over de Straat Malakka. Dat gaf Soekarno en de zijnen lucht om een militaire beheersmacht uit de grond te dampen: het provisorische Indische leger. Eigenlijk een samenraapsel van allerlei strijdgroepen onder stamleiders en menners van volksgroeperingen. Die strijdgroepen plunderden, vochten ook onderling en tegen de Nederlanders en hun coöperanten en vergrootten de onrust meer dan dat ze de politiezorg uitoefenden. Daartegen kon Batavia alleen maar, nadat Whitehall enige brigades had toegestaan aan de Nederlanders om zelfstandig te opereren de tactieken toepassen die wij uit de negentiede eeuw kennen als pacificatietochten. Zoals die op Bali en op Sumatra bij Atjeh. De Nederlanders zetten daar gespecialiseerde stoottroepen voor in, soms samengebracht in het Depot Speciale Troepen. Eigenlijk een soort vrijkorpsen en zelfstandig opererende infanteriebrigades zoals de Duitsers in de zomer 1918 opzetten in Noord-Frankrijk. Die commandogroepen zouden vooral de Archipelgroepen die ver oostwaarts van Java lagen moeten gaan pacificeren of zuiveren. Westerling zou daarvan één van de chefs zijn en zou deze acties moeten leiden op Celebes, Dat leed op dat moment onder allerlei bendevormen die hun goddelijke gang gingen, soms daarbij nationalistische motieven voorwendend. Die zuiveringsacties van het Depot Speciale Troepen (hierna: DST) in Zuid-Celebes liepen écht uit de hand toen de commandant, Raymond Westerling, zijn troepen opsplitste. Bij de groep van ongeveer zestig man die onder onderluitenant J.B. Vermeulen het noordelijk terrein van de operaties bestreek, deden zich ernstige misstanden voor .
Ooggetuigen en overlevenden in Indonesië hebben daarover geruime tijd later bezwarende verklaringen afgelegd, zowel ten laste van de Nederlanders als van Javaanse infiltranten, samen te vatten als ongebreidelde terreur op Celebes. Begaan door Javanen. Begaan door Nederlanders. Daaraan moest Westerling een eind maken. Binnen het mandaat dat in de vorige blog werd beschreven. Westerling beval deze terreur niet zelf. Hij werd er mee geconfronteerd op het moment dat hij aankwam. Toen een onder zijn verantwoordeijkheid opererende Nederlandse eenheid al flink gederailleerd was. Onder de leiding van een aan Westerling ondergeschikte officier, de genoemde onderluitenant Vermeulen. In december 1946 hadden de Speciale Troepen in de streek rond Makassar hun pacificatoire werk gedaan. Daarbij ging het niet zachtzinnig toe. Mannen die beschouwd werden als ‘extremisten’of ‘rampokkers’ of plunderaars kregen de kogel. De eigen inlichtingendienst van het DST verschafte informatie over verdachte personen en plekken waar het ‘verzet’ zich concentreerde. Die verspiedingsdienst werd geleid door deze onderluitenant Jan Vermeulen. Hij was de tweede man onder Westerling. Hij gaf toe diens instructies niet opgevolgd te hebben. Hij erkende, later, dat hij de situatie niet aankon. En dat hij tot terreur was overgegaan. Westerling had hem dat bij inspecties verweten. En had hem eigenlijk meteen op non-actief gesteld. Maar de pacificatie was verder doorgezet, want de situatie was volkomen onhoudbaar geworden. Het Nederlandse gezag kon zich handhaven. Maar had daarbij zeker humanitaire beginselen ernstig geschonden. Dat zulks op bevel van Westerling was geschied kon destijds niet alleen niet bewezen worden, maar werd ook door inheemsen ontkend. Maar dezen gaven ook aan dat ze niet veel hadden begrepen van wat de oogmerken waren geweest van de Nederlanders. Wel dat uiteindelijk er een stabilisering was opgetreden waarnaar zij zeer hadden verlangd.
